Fragment uit Hoofdstuk I.

Sint-Niklaas, 30 november 1996

Eindelijk bereikte Nicolaas de Grote Markt. De wind en de regen bliezen recht in zijn gezicht. Een windvlaag bolde zijn grote felrode plastic regencape en bracht hem aan het wankelen. Hij boog weg van de striemende koude regen en keek schuin omhoog. Zijn blik bleef rusten op het majestueuze vijf meter hoge standbeeld dat voor het stadhuis alle aandacht opeiste.
Hij greep onder zijn cape en trok een grote zakdoek te voorschijn waarmee hij voorzichtig zijn ogen droogde en keek andermaal naar het standbeeld. ‘Die stond er vorig jaar nog niet,’ mompelde hij. Op de sokkel herkende hij de bekende bisschopsfiguur, die peinzend over het plein staarde, met staf en mijter, met het boek en de drie gouden ballen, en aan zijn voeten drie kinderen. Nicolaas kwam aarzelend naderbij. Hij wreef nogmaals met zijn zakdoek, alsof hij zijn ogen niet vertrouwde. Even keek hij naar beneden. Sint Nicolaas van Myra stond overbodig met grote zilverkleurige letters in de sokkel gegraveerd. Hij keek weer omhoog naar de rijzige gestalte. Onzeker stapte hij achteruit. Het was alsof het standbeeld met de jagende wolken meeboog en over hem heen zou vallen. Nog een paar stappen deed hij achteruit tot hij tegen iemand aan botste. Geschrokken draaide hij zich om.
‘En, wat vind jij ervan, Nicolaas?’ zei een bekende stem.
Nicolaas zuchtte. ‘Oh, ben jij het,’ zei hij zacht en hij keek in het lelijke bruinige, glimlachende gezicht van de man die hem had aangesproken.
‘Ik vind dat je er zoals gewoonlijk weer belachelijk uitziet.’ Onwillekeurig keek Nicolaas weer naar de statige Sint op de sokkel.
‘Nee, ik bedoel jou. Kijk nou toch eens hoe je eruit ziet. Je baard en je haren zitten in de knoop. Die plastic cape hangt als een zak om je schouders en lijkt nog niet op de prachtige kleren die je altijd draagt. Je witte broek en je schoenen zijn besmeurd en nat.’ Nicolaas volgde met zijn blik de wijzende vinger.
‘Het gaat niet om je uiterlijk, het gaat om wat je bent!’ antwoordde hij met een trotse blik.
‘Kijk liever naar jezelf,’ vervolgde hij, ‘je ziet eruit alsof je zo uit de hel komt en alleen maar even die vieze bruine jas hebt aangetrokken om je staart te verbergen en die hoed hebt opgezet om je hoorntjes onzichtbaar te maken.’ De duivel lachte rauw en Nicolaas rook zijn smerige adem. ‘Je weet dat ik maar met mijn vingers hoef te knippen en dan ben ik veranderd in een guitige Zwarte Piet,’ riep hij Nicolaas toe, ‘maar jij hebt een probleem. Geen kind in deze tijd wil cadeautjes ontvangen van een smerige oude man. Bij het uitzendbureau zullen ze je dit jaar vast en zeker weigeren.’ Nicolaas probeerde zijn wapperende haren recht te strijken.
‘Ik heb je nog nooit met je vingers zien knippen. Volgens mij is daar allemaal niets van waar.’ Ik heb geen toverkunsten nodig,’ zei hij luchtig, ‘ik heb nog geld. Maar,’ vervolgde hij in een doorzichtige poging om het gesprek op een ander onderwerp te brengen. ‘Waarom ben je hier al zo vroeg dit jaar?’ Weer lachte de duivel rauw. ‘Vanwege dit hier,’ en hij wees naar het standbeeld. ‘Gisteren is het officieel onthuld. Het stond hier zwart van de kinderen. Ik heb de kunstenaar een handje geholpen. Bij Beëlzebub, wat een kluns was dat. Als ik hem alleen zijn gang had laten gaan dan waren al die kinderen gillend weggerend. Het was zo’n kunstenaar die alles alleen nog maar met symbolen wil uitbeelden omdat hij vindt dat de echte Sinterklaas niet meer bestaat. Ik heb al mijn listen en trucs moeten gebruiken om hem ervan te overtuigen dat de kinderen juist wel geloven in een levende Sinterklaas.’ Nicolaas knikte goedkeurend.
‘Ik heb hem zelfs zover gekregen dat hij een sokkel in de vorm van een stapel kinderspeelgoed en pakjes heeft gemaakt.’ Geschrokken keek Nicolaas nu voor het eerst goed naar de sokkel en hij realiseerde zich dat zijn ijdelheid hem voornamelijk naar zijn eigen beeltenis had doen staren. Hij sloeg een kruis en mompelde: ‘Vergeef me, God’.
De duivel dook met een rauwe kreet in elkaar en schreeuwde. ‘Hé, kijk uit! Wat maak je me nu. Ik heb toch geen vlieg kwaad gedaan?! Bovendien heeft de schoonheidscommissie het ontwerp van de sokkel afgekeurd. De huichelaars! Alsof ze zelf nooit kind zijn geweest. Ze hebben in de haast een steenhouwer opdracht gegeven om gewoon een vierkant stuk graniet te maken.’ Nicolaas knikte. Hij kon inderdaad geen speelgoed en pakjes onder de Sint ontdekken. Een auto raasde langs en reed door de diepe plas achter de duivel. Het water spatte hem van onder tot boven nat.
Nicolaas wierp even een dankbare blik naar de met jagende wolken bedekte hemel en glimlachte. ‘Zo,’ zei hij met een tevreden klank in zijn stem, ‘nu ben je net zo nat en vies als ik. Nu zul jij ook op zoek moeten gaan naar schone droge kleren.’ Hij draaide zich om en zonder zich nog om de duivel te bekommeren schreed hij waardig als een schip met bolle rode zeilen in de richting van de overkant van het plein. 

Tot zover het fragment uit het eerste hoofdstuk. Het boek is een raamvertelling die zich afwisselend in het heden - in het Belgische Sint-Niklaas - en het verleden afspeelt, ten tijde van het leven van de echte sinterklaas.

 
 

 

terug naar boven