De redding

Pats. 
Dirk Jan schrok wakker van de klap. 
Pats. 
Nog een sneeuwbal spatte uiteen op het raam van de voorkamer. Hij kwam stijfjes omhoog uit zijn makkelijke stoel naast de oude zwarte oliekachel. 'Wat moeten ze van me?!' 
Hij liep naar het raam en zwaaide met zijn vuist naar het groepje jongens. Een nieuwe sneeuwbal spatte uiteen en deed de ruit in de sponningen trillen. Hij hoorde ze zingen: ‘Dirk jan van Stoep heeft poep in zijn broek.’ 
Vertwijfeld liep hij de gang in naar de voordeur. Hoe kon hij die kwelgeesten het zwijgen opleggen? Hij aarzelde. Het had geen zin om de deur te openen. Ze zouden hem bekogelen met sneeuwballen. En met zijn oude stramme benen kon hij dat jonge spul nooit van ze leven inhalen. Hij zeeg neer op de onderste trede van de trap en verzonk in sombere gedachten. 'Waarom moesten ze altijd hem hebben?'

Vroeger zou hij ze hebben afgeschrikt. Zonder moeite zou hij zo'n jochie bij de kladden hebben gepakt en bij zijn ouders hebben afgeleverd. Nu kwam hij nog maar met moeite vooruit en meed hij de straat, bang als hij was om zijn kwelgeesten tegen het lijf te lopen. 's-Ochtends heel vroeg kwam hij nog wel eens naar buiten, als nog niemand uit bed was. Dan zat hij op een bankje aan het water van de vijver en voerde de snaterende eenden. Maar al voor de eerste forenzen op weg gingen verschanste hij zich weer in zijn huis. Hij liet zich de hele dag niet zien. Dat was de enige remedie. Na verloop van tijd dropen ze dan vanzelf af. 

De regen van sneeuwballen luwde en door het kleine ronde ruitje van de voordeur kon Dirk Jan zien hoe de aandacht van de jongens zich verplaatste naar de vijver. Een paar waaghalzen stonden op het luid krakende ijs. Hoofdschuddend keek hij toe tot de schemer inviel en de jongens verdwenen. 

Nu durfde hij naar buiten te komen. Hij haalde de houten ladder van achter uit zijn schuurtje en met een doek begon hij de achtergebleven sneeuwstippen van de ramen te vegen. Het was ijzig koud buiten. Hij rilde in zijn versleten jas. De spookachtig verlichte staat was doodstil en verlaten. De eerste sterren flikkerden aan de hemel en het beloofde weer een koude nacht te worden. Morgen zou het ijs dik genoeg zijn. Morgen is het Kerstmis, dacht hij somber en zag de bonte massa buurtbewoners al rondschaatsen en zwieren op de schoongeveegde vijver. Ze zouden samen buiten plezier maken en hij zou binnen in zijn eentje bij de kachel zitten.

Vanuit zijn ooghoek zag hij over de stoep een jongen naderen. Hij hield zijn adem in. Hij herkende het joch. Deze was er iedere keer bij als ze belletje trokken of hem op andere manieren het leven zuur probeerden te maken. De jongen was alleen. Als hij maar niet weer.......... dan zou hij hen een draai om zijn oren verkopen. De jongen stak de straat over in de richting van de vijver. Dirk Jan zuchtte diep van opluchting en veegde de laatste resten sneeuw van de ramen. Moeizaam daalde hij de ladder af. Achter hem protesteerde krakend het ijs. Wat een waaghals. Hij pakte de ladder op, luisterde even en verbaasde zich over de intense stilte. Hij zette zich weer in beweging. Nu kraakte de sneeuw onder zijn voeten, en ergens in zijn achterhoofd wist hij dat er iets niet klopte. Plotseling besefte hij wat het was. Met de houten ladder onder zijn arm stak hij zo snel als zijn zwakke benen hem konden dragen de straat over, gleed over het gras naar beneden naar de waterkant en tuurde over de ijsvlakte die zwakjes werd verlicht door de kerstboomlichtjes voor de huizen. Niet ver van de kant was een vers wak. De schrik sloeg Dirk Jan om het hart. Zonder na te denken schoof hij de ladder op het besneeuwde ijs. Op zijn buik schoof hij over de ladder naar het wak. Hij taste in het koude water en voelde een kledingstuk. Hij trok uit alle macht. Het ijs kraakte vervaarlijk. Het jochie kwam hoestend en proestend boven. Dirk Jan greep hem stevig beet en werkte zich langzaam over de ladder naar achter en trok de blauw aanlopende jongen op de kant.

Waar zou hij wonen? Met alle kracht die in hem was sleepte hij de kleine naar zijn eigen huis, legde de jongen voor de kachel en paste kunstmatige beademing toe. Het duurde bijna een uur voor de jongen weer een beetje op verhaal was gekomen en schuchter kon vertellen wie hij was en waar hij woonde. Dirk Jan knikte. Hij gooide Caspar een deken over zijn schouders en samen schuifelden ze tot aan zijn voordeur. Daar draaide hij rillend om en strompelde naar huis verlangend naar warmte en droge kleren.

Zijn sombere stemming was verdwenen toen hij enige tijd later in het vuur van de kachel zat te staren. Een onbekend gevoel van zelfvoldaanheid maakte zich van hem meester. 
 
De bel ging. Even aarzelde hij, maar hij zette de schrik opzij en stommelde naar de voordeur. Daar stond Caspar met een man die zich als zijn vader voorstelde. Ze stonden verlegen te draaien in zijn rommelige huiskamer en bedankten hem uitvoerig voor zijn doortastende ingrijpen. Ze vroegen of hij morgenochtend bij hen het kerstontbijt wilde gebruiken en daarna misschien met hen wilde komen kijken naar het schaatsen op de vijver, want morgen zou, met de strenge vorst die was voorspeld, het ijs zeker dik genoeg zijn voor de eerste schaatswedstrijd voor de jeugd.
Dirk Jan kon alleen maar knikken. Ze schudden zijn hand en vertrokken. Toen hij weer alleen was en in de zacht suizende vlammen keek gloeide zijn gezicht. Er glommen tranen in zijn ogen want hij besefte, dat hij voor het eerst sinds jaren weer Kerstmis zou vieren.

 

17 december 2000