De parelvisser

David de Leeuw staat voor de tiende keer deze middag op het toilet van de schouwburg. Door de luidsprekers boven hem in het plafond klinkt de stem van een sopraan die een bekende aria uit de opera De Parelvissers van Verdi ten gehore brengt. Maar David hoort het gezang nauwelijks. Hij concentreert zich op zijn blaas en wacht geduldig tot eindelijk een kleine hoeveelheid urine naar buiten druppelt. Hij zucht diep. Iedere keer als hij naar de WC moet is het vals alarm. De zangers van het gezelschap kijken hem met veelbetekenende blikken na als hij zich los maakt uit de repetities. Hij voelt de blikken wel, maar moet hij dan op het toneel blijven staan en het in zijn broek doen? Eigenlijk had hij niet naar deze auditie moeten komen, maar Teun had hem gevraagd. Ze zou tenslotte zijn tegenspeelster worden. Hij drukt zonder overtuiging op de spoelknop. Een lange hoge uithaal gaat verloren in het geluid van borrelend en spoelend water. Sissend sluit de kraan. David ritst zijn gulp dicht. Boven hem is het stil geworden. Hij wast gehaast zijn handen. Terwijl hij ze onder de warme brullende föhn houdt keek hij op zijn horloge. Vijf uur. Tijd om zoals altijd op vrijdag middag met Teun wat te drinken in het café en eindje verderop in de straat. Vroeger nam hij altijd enkele grote glazen pils. Tegenwoordig drinkt hij alleen nog een klein borreltje. Teun zal de nieuwe sopraan vast aannemen.

Op de gang komt Teun hem tegemoet. Achter hem loopt een vrouw met een rood hoofd van spanning.
'Hoe vind je haar klinken?' vraagt Teun.
David geeft Teun een bijna onzichtbaar knikje. Hij negeert de vrouw en doet net of hij haar niet ziet staan. Hij heeft het gevoel dat hij weer moet. Ze lopen naar de uitgang. Teun gaat eerst met de sopraan naar zijn kantoortje aan de overkant van de straat. Een licht gevoel van paniek overvalt hem want hij komt daar nooit. Hij staat een ogenblik stil voor de affiches. Volgende maand première schreeuwen ze de passanten toe. Hij kijkt fronsend naar de sopraan.
'Wil je dat ik morgen begin dan?' vraagt deze met onzekere stem aan Teun.
David gromt. Teun fronst zijn wenkbrauwen. Met z'n drieën lopen ze door de grote glazen deuren. Even houden ze in. De regen valt met bakken uit de hemel. Met gekromde ruggen en afgewend gezicht spoeden ze zich door de plassen naar de overkant. Teun kijkt hem even aan als hij de vrouw voorlaat en zegt.
'De gang door en dan de tweede deur rechts.'
De sopraan kijkt begrijpend om 'Het is snertweer vandaag!'
Ze gaan de kamer in. David hoort haar voor de deur sluit nog roepen. 'Nou, zeg, dat is fantastisch.'

Hij zucht, loopt in de aangegeven richting, opent de WC-deur en wacht geduldig voor de pot terwijl het regenwater van zijn jas af drupt en een grote plas op de grond vormt. Tien minuten later loopt hij samen met Teun gebogen door de plenzende regen naar hun stamcafé. Eenmaal binnen verzucht hij 'Wat zou ik graag weer gezond zijn.'
Ze schuiven op hun barkruk. De barkeeper schenkt ongevraagd een grote pils in en een klein borreltje. David nipt.
'Was je daarom zo onaardig tegen haar?'
David haalt zijn schouders op. Tranen vullen zijn ogen.

6 oktober 2000

Afscheid

'David, zullen we nog even naar mijn kantoor gaan?'
David schudde zijn hoofd.
'Ben je wel eens in mijn kantoor geweest?'
'Ik ga liever niet naar dat muffige kantoor van je. Ik ga liever naar de schouwburg. Daar heb ik het grootste deel van mijn leven doorgebracht.'
Ze waren terug gegaan naar de schouwburg. Ze liepen het toneel op.
'Zeg wat je te zeggen hebt Teun, en doe het hier, want hier voel ik met thuis.'

David wist wat er nu komen ging. Het was onvermijdelijk. De situatie was onhoudbaar geworden. Hij zou ontslagen worden. Geen enkele directeur kon een werknemer als hem accepteren. Hij was een onbetrouwbare factor geworden. Hij wist het. Toen Teun in overleg met de sponsors voor het nieuwe seizoen de keuze hadden laten vallen op de Parelvissers van Verdi, wist hij dat het einde van zijn loopbaan in zicht was. Het gezelschap had drie tenoren en één daarvan was hij. In de Parel vissers speelden twee tenoren de hoofdrol. Hij zou zich tijdens de uitvoering onmogelijk kunnen terugtrekken. Hij zou voortdurend op het toneel moeten zijn. Bij de eerste repetities al was hij door de mand gevallen. Hij hoopte nog op een ander baantje. Maar hij kende Teun. Die liet zich vast niet vermurwen. Teun moest al woekeren met het geld. Ze konden zich geen kosten veroorloven voor een zanger die niet zingt. Hij wist het bijna zeker. Het einde van zijn loopbaan was in zicht. Hij zuchtte. De orkestbak lag er verlaten bij. Hij staarde de schemerig verlichte zaal in en moest denken aan de successen die hij hier de afgelopen jaren had gevierd.

Teun kuchte. Wreef in zijn hals en kuchte nog eens.
'David' begon Teun 'Jij staat nog steeds op de wachtlijst voor behandeling in het ziekenhuis.'
David maakte een afwerend gebaar.
'Laat me uitspreken David. Ik vind dit net zo moeilijk als jij.' Hij haalde diep adem en vervolgde. 'We kunnen je niet ziek melden zolang je gewoon rondloopt, geestelijk mankeer je niets. Toch ben je arbeidsongeschikt. We hebben geen geld om je te betalen. Ik moet je ontslag aanvragen bij het arbeidsbureau.'
David liet zijn hoofd hangen. 'Is er geen ander baantje?' fluisterde hij. 'Een bijrol, of toneelmeester? Ik ben 62 Teun! Nog drie jaar en dan ga ik met pensioen!'
Teun gaf geen antwoord en keek nors voor zich uit. Zo stonden ze een tijdje zwijgend tegenover elkaar.

Er speelde een melodie door David's hoofd. Het orkest in de bak speelde de inleidende tonen van het beroemde Wolga-lied. De zaal werd langzaam pikdonker. Scherpe schijnwerpers lichtten op. Hij zette vol in. Nog nooit had zijn fenomenale stem de zaal zo volledig gevuld. De melodie maakte hem los van elk tijdgevoel. Teun was verschrompeld tot een rekwisiet en hij zag in gedachten alleen nog maar het duizendkoppige publiek dat ademloos luisterde. Tot eindelijk de laatste tonen wegdreven. Hij opende zijn ogen en keek de lege, stille zaal in. Teun stond met een asgrauw gezicht op enkele meters van hem vandaan. David maakte een diepe buiging, gaf een kushandje weg en liep trots het toneel af.

12 november 2000

De poes van de buren

Ik wou dat hij eens een keertje van huis ging. Dan kan ik eindelijk de boel opruimen zonder dat hij voortdurend in de weg loopt. Waarom blijft hij als maar hier? Heeft hij dan geen behoefte aan andere mensen, aan vrienden? Het lijkt wel een vogel in een kooi sinds hij ontslagen is bij het operagezelschap. Hij komt niet verder dan de tuin. Z'n smerige duiven hebben meer vrijheid.

'Getverdrie.' roept David luid. 'Daar zit dat witte kreng van de buren weer op mijn gazon te poepen.'

Wat zegt hij nu? Zit Mimi van de buren in de tuin te poepen?
'Houd je rustig David!'
Doet ie natuurlijk toch niet.

'Maar kijk dan toch.' roept David met overslaande stem. 'Straks lopen mijn duiven nog een kattenziekte op.'

Nee ik kom niet kijken.
'Duiven een kattenziekte..... Die duiven zijn zelf een .....'

'Wat is er mis met mijn duiven?'

'Ze schijten de boel onder en maken een vreselijk kabaal.'
Oh, oh. Nu is hij helemaal niet meer te houden. Snel een kopje thee naar binnen brengen. Ik wou dat hij bij dat raam wegging.
'Kom bij dat raam vandaan en drink je thee op!'

Maar David blijft gespannen door het raam turen. Hij bonst op de ruit.

Hij luistert niet. Hij luistert nooit. Moet je zien. Staat ie op mijn schone ruiten te bonzen.
'Hou op! Je maakt mijn pas gelapte ramen vies.'

'Die poes trekt zich nergens wat van aan!' roept David met overslaande stem.

Nee, als ik poes was zou ik me ook niets van dat bonzen aantrekken. Ik wou dat hij kwam zitten en zijn thee opdronk.

Stomend van woede rukt David de tuindeuren open. In drie grote stappen is hij bij de witte poes van de buren die van schrik versteent.

Oh nee! Nu gaat hij nog achter die poes aan. Laat natuurlijk de tuindeur achter zich open. Straks komt hij met duivenpoep aan zijn schoenen naar binnen. Kan ik de vloerbedekking weer schoonboenen terwijl hij die duiven vet voert zodat ze de tuin nog verder kunnen volpoepen.

David zet aan voor een fenomenale uithaal.

Bah, wat is hij gemeen. Nu wil hij Mimi ook nog een trap geven. Nee toch hè?

Maar halverwege de doodschop voelt hij zijn andere voet wegglijden. Uit alle macht probeert hij zijn evenwicht te herstellen. Maar het is tevergeefs. Hij glijdt uit en met een sierlijke zwaai landt hij met een smak boven op de witte kat.

Ach, jeh, hij glijdt uit over die smerige duivenpoep.

Het laatste wat David hoort is de schreeuw van de kat en het droge geluid van een onnatuurlijke knak in zijn rug. Voor hij het bewustzijn verliest vraagt hij zich verwondert af waar die sopraan met die hoge uithaal plotseling vandaan komt.

Eigen schuld. Misschien ziet hij eindelijk eens in dat je hier geen duiven kunt houden. De buurvrouw zei laatst ook al dat ze er zo'n last van heeft.

Een diepe stilte valt over de tuin. Een koppel duiven komt aanzweven en neemt koerend en vechten plaats op het overstekende dak van de duiventil. Nieuwsgierig kijken ze naar de roerloze gestalte van het baasje. Een van de duiven laat een dikke flats op het voorhoofd van David vallen.

Waarom blijft hij nou liggen?
'David!'
Er is wat aan de hand. Hij verroert zich niet.

Struikelend en glijdend bereikt ze hem en knielt naast hem neer.
De witte poes worstelt zich onder David vandaan en strompelt weg.

Ga weg vies kreng. Ga in je eigen tuin zitten poepen.
'Oh David lieverd.'

Verontwaardigd klapwieken de duiven op. In een grote boog vliegen ze over de tuin en kijken van hoog uit de blauwe lucht op het tweetal neer.

'David.... David'

Maar David antwoordt niet meer.

15 november 2000

Ik niet

David loopt enigszins verdwaasd over de weg. Het is mistig. Hij kan slechts vage witgrijze vormen om zich heen onderscheiden, zo dicht is de mist. Verwonderd vraagt hij zich af hoe lang hij hier nu al loopt, en waar de weg naar toe leidt? Waar is hij? Hij luistert. Waar komen die vreemde tonen vandaan? Het is alsof iemand heel dicht in zijn buurt de snaren van een harp bespeelt. Plonjk, plonjk, plonjk. Zonder duidelijke melodie of structuur dragen de tonen door de witte wereld. Hij realiseert zich plotseling dat hij helemaal niets voelt. Normaal gesproken zit zijn dikke grote lichaam hem altijd een beetje in de weg. Maar nu voelt hij niets, zelfs niet zijn voeten die gewoonlijk zeer doen bij het lopen, gewoon helemaal niets.

Hij kijkt naar beneden naar zijn voeten. Het lijkt wel alsof zelfs zijn voeten in nevel zijn gehuld. Voorzichtig schuifelt hij verder. Daar ziet hij iets op de grond liggen. Hij bukt. Het is een dun boek met een rode kaft. Voorzichtig pakt hij het op en slaat het open. Hij herkent de partituur. Hij vraagt zich af hoe het hier zomaar op straat is komen liggen. Misschien is Teun het verloren. Hij vouwt het dubbel en steekt het in de binnenzak van zijn colbert.

Hij moet weer denken aan hoe hij daar op het toneel van de schouwburg stond. Schijnwerpers aan. Zaallicht gedimd. Uit volle borst zong hij voor de laatste keer zijn lied terwijl Teun toekeek. Teun had niet anders gekund. Teun had hem moeten ontslaan. De derde Tenor zou hem gedurende het hele seizoen vervangen. Volgend jaar, had Teun gezegd, als er een nieuwe opera op het programma staat, dan maakte hij weer een kans. Als hij tenminste was geopereerd.
Dat was allemaal een half jaar geleden. Hij was geopereerd, maar de derde tenor maakte furore. Zouden ze hem nog wel terug willen?

Vreemd die tonen, denkt hij weer. In de verte ontwaart hij nu een licht dat scherper en helderder wordt naar mate hij het nadert. Hoort hij daar zijn naam roepen? Iemand slaat hem op zijn wang. De tonen wijken, het licht inde verte verflauwt. 'David, David' roept een angstige stem. Hij knippert met zijn ogen. De mist boven hem trekt langzaam weg en maakt plaats voor een strakblauwe lucht. Hij kijkt in het vertrouwde gezicht van zijn vrouw. Een koppel duiven vliegt suizend over.

'Hij komt bij.' hoort hij Teun zeggen. Hij draait zijn hoofd naar Teun, wrijft op een pijnlijke plek in zijn rug en gaat langzaam zitten.
'Teun?' vraagt hij verbaasd.
Teun lacht. 'Even dacht ik dat ik jouw ook kwijt zou zijn.' zegt Teun. 'En dan had ik echt een probleem.
'Waarom?'
'De tenor,' spreekt Teun nu ernstig 'heeft gisteren een ongeluk gekregen.'
Teun trekt een ernstig gezicht.
'Is hij....?
Teun knikt.
'En nu wil je mij vragen...' Het dringt nu pas tot David door. Teun strekt zijn hand uit en helpt hem op de been.
'Voorzichtig oude jongen.' zegt hij en hij geeft David het dunne rode boek.
Verbaast kijkt David naar de partituur. 'Was jij die verloren?' vraagt hij.
Teun kijkt hem even niet begrijpend aan. 'Nee, ik niet.' antwoordt hij. 'Ik niet.'

21 november 2000