Vertraging

Zonder veel overtuiging begon de trein te remmen. Rommel de bommel de rommel de bommel. Het geluid van metaal op metaal klonk tegen de onderkant van de trein. Het kwam van onder de voorste treinstellen, passeerde met veel kabaal het treinstel waarin wij met z'n vieren zaten en trok verder naar achteren. De trein remde nu krachtig en kwam enkele seconden later met een schok tot stilstand.

'Vertraging' was het eerste dat door mijn hoofd schoot.
‘Wat was dat’ vroeg Susan mijn oudste dochter van vijf.
We keken naar buiten. We stonden midden in een weiland.
‘Ik denk dat de trein een botsing heeft gehad.’
Niet begrijpend staarden twee paar meisjesogen me aan.
‘Nou, gewoon.’ sprak ik verduidelijkend. ‘ De bestuurder van een auto heeft niet goed uitgekeken bij de overweg. En toen kwamen wij eraan... en zijn we gebotst.’

Voor en achter ons draaiden reizigers de raampjes open en hingen nieuwsgierig naar buiten. De trein was bomvol. Alle plaatsen waren bezet. Het was zaterdagochtend en we waren op weg naar Maastricht naar oma en opa.

‘Ik wil ook kijken.’ sprak Moniek en was al op het tafeltje bij het raam geklommen. Ze begon te rukken aan de raamopener. Er kwam geen beweging in.
‘Ik ook.’ riep Susan. Samen vochten ze nu om het plekje op het tafeltje.
‘Ga zitten.’ riep Marion. ‘Je kunt toch niets zien. We zitten bijna achteraan...’

Ze keek me aan met een gezicht van 'dat kan lang gaan duren'. Ik keek op mijn horloge. We waren net tien minuten geleden uit Utrecht vertrokken. Daar moesten we overstappen. Die overstap duurt ruim twintig minuten omdat de intercity uit Amersfoort niet goed aansluit op de intercity naar Maastricht. Twee en een half uur doe je er gewoonlijk over van Amersfoort naar Maastricht. Inclusief het wachten in Utrecht.
‘Het zal nu wel meer dan drie uur worden mompelde ik.’ Susan draaide zich om.
‘Waarom pap?’
Ik dacht even na. ‘Nou, eerst moet de rails vrij zijn. De auto die met de trein botste is helemaal gedeukt. Die kan niet meer rijden. Die moet weggesleept worden.‘En de bestuurder....’

De stem van de conducteur uit de omroepinstallatie onderbrak me. ‘Dames en heren. Wegens een ongeval hebben wij helaas een oponthoud van onbekende duur.
’ Moniek keek me met een vragende blik aan. ‘Ga je dan dood?’ vroeg ze met luide stem. Om ons heen werd zenuwachtig gelachen.
‘Nee.’ riep Susan. ‘Dan ben je alleen maar gewond. Dan moet je naar een ziekenhuis. Hè pap?’
Ik wilde zeggen dat ik het niet wist. Maar voor ik mijn mond open kon doen vervolgde ze.
‘Net zoals die meneer in die brandende auto?’ We waren de week ervoor naar de open dag van de Amersfoortse brandweer geweest. Er waren demonstraties geweest. Ook van het blussen van een auto en het uitzagen van de bestuurder.
‘Nee hoor.’ mengde Moniek zich in het gesprek. ‘Die meneer was niet gewond, want de ziekenauto stopte om de hoek en die meneer stapte eruit.’
Ik staarde naar buiten. De bestuurder van de auto was inderdaad om de hoek van de kazerne kerngezond uit de ambulance gestapt. Maar ja, het ging om een demonstratie. Als hij bij het ziekenhuis was uitgestapt dan had hij helemaal terug moeten lopen. ‘Het was niet echt Moniek. Het was een demonstratie. Die meneer zat niet echt klem in die auto.’
Moniek keek me verbijsterd aan. ‘Wel! en ze hebben hem eruit gezaagd. Hij moest op de brancard en met de ziekenauto mee...’
Ik kreeg geen gelegenheid meer om haar tegen te spreken want Susan riep plotseling: ‘Kijk daar, een brandweerauto.’ Over een smalle weg, op enige afstand van ons verwijderd kwam een brandweerauto aanrijden.
‘Hoe moet die hier komen ?’ vroeg Marion zich af.

Ik boog me naar het raam. Ongeveer tweehonderd meter verderop, ter  hoogte van de kop van de trein, stond een boerderij honderd meter verwijderd van de spoorbaan.
‘Ik neem aan dat er een weg naar die boerderij voert.’
Inderdaad. De rode brandweerwagen sloeg af en reed nu met een sukkelgangetje parallel aan een rij bomen, die klaarblijkelijk langs een niet zichtbaar weggetje stonden, en naderde de boerderij.

‘Gaan ze nu de bestuurder eruit zagen mamma?’
‘Als er nog wat van de bestuurder over is.’ antwoordde mamma tactvol.

Een tweede voertuig werd  zichtbaar aan de horizon. ‘Een ambulance, een ambulance.’ juichte het jeugdige tweetal.
Even later draaide de witte ambulance eveneens het erf van de boerderij op. Vier witte gestalten stapten uit en liepen, nog net zichtbaar, de brandweerlieden achterna.
‘Zie je wel Moniek.’ sprak Susan. ‘Ze gaan de bestuurder naar het ziekenhuis brengen.’
‘Nee hoor.’ sprak Moniek haar tegen. ‘Ze gaan hem los zagen uit de auto.’
‘Hoe weten jullie dat er maar één persoon in de auto zat?’ vroeg ik. Er viel een stilte. Daar hadden ze kennelijk nog niet over nagedacht.
‘Daar  pappa,’ wees Moniek. ‘Nog een brandweerauto.’
In de verte naderde inderdaad een tweede fel rood gekleurde brandweerwagen.
‘Er zaten twee mensen in de auto.’ beweerde Moniek nu vol overtuiging. ‘En die gaan ze uit de knoop halen.’ Om ons heen werd weer zenuwachtig gelachen.
‘Nee.’ riep Susan. ‘Er is maar één ambulance.’

Een hele tijd leek het alsof er niets gebeurde. Van de brandweermensen en het personeel van de ambulance was niets te zien. De tijd kroop langzaam voorbij. Waarschijnlijk zijn ze voorop de trein bezig bedacht ik me, en verloor even alle aandacht voor het ongeluk, totdat Moniek riep
‘Kijk mamma daar lopen meneren met witte vuilniszakken.
Het ambulancepersoneel liep aan twee kanten met witte plastic zakken en met speurende blikken langs de trein.
Het geroezemoes van de reizigers in de trein verstomde en iedereen keek gebiologeerd naar buiten.
‘Wat doen die, pappa?’
Ik gaf geen antwoord en zag met afschuw dat één van de twee aan onze kant zich bukte, iets oppakte en in zijn witte plastic zak stopte. Even later waren ze uit het zicht verdwenen. Ik keek Marion even aan.
‘Wat was dat pappa, wat deden die meneren.’ vroeg Susan opnieuw. Voor ik kon antwoorden zette onze trein zich met een schok in beweging.
‘We gaan.’ schreeuwde Moniek enthousiast.
‘De verkeerde kant op.’ vulde Susan met een rimpel op haar voorhoofd aan.
Inderdaad schoof onze trein langzaam achteruit. We keken naar buiten en zagen de spoorbaan aan twee kanten bezaaid met metalen brokstukken. In de sloot langs de kant  herkende ik delen van een motorblok. Ook Susan zag het schroot.
‘Is dat van de auto?’ vroeg ze voorzichtig.
Ik knikte alleen. We reden verder achteruit over de overweg. Hier lagen geen autoresten meer. Het ambulancepersoneel met de witte zakken passeerde ons opnieuw. Ze liepen weer terug.
‘Wat doen die, pappa?’ vroeg Susan opnieuw zonder veel overtuiging in haar stem.
‘Die lopen nu terug over de spoorbaan om tussen de rails te zoeken.’
‘Waar zoeken ze naar ?’
‘Naar de chauffeur van de auto.’
Mijmerend keek Susan voor zich uit.

Met een schok stond de trein even voorbij de overweg stil. Ik keek op mijn horloge. Al meer dan anderhalf uur duurde het nu al. Ik denk dat oma en opa nu ontdekken dat we vertraging hebben. Waarschijnlijk staan ze eerst een half uur langs het perron te wachten denkend dat we met de volgende trein komen. Met een beetje geluk roepen ze om dat er vertraging is. Buiten veranderde weinig. De brandweerwagens en de ziekenauto waren uit het zicht. Ik kon nog net een stukje van de overweg zien. Daar verscheen het ambulancepersoneel weer. Ze groepten samen op de overgang, klaarblijkelijk om even met elkaar te overleggen. Daarna keerden ze om.

‘Hoelang duurt het nog?’ Het geduld van Moniek begon op te raken.
‘Ik denk dat ze nu ook tussen de rails gaan zoeken. Als dat klaar is kunnen we verder.’ Moniek keek me niet-begrijpend aan. ‘Hebben ze hem dan nog niet gevonden ?’ 
Nog voor ik wat kon zeggen gaf Susan met luide stem antwoord. ‘Nee Moniek ze zoeken de stukjes van de chauffeur van de auto.’
Ik knikte. Marion pakte tekenpapier en kleurpotloden te voorschijn. ‘teken maar een ambulance en een brandweerauto.’ Dat voorstel viel in goede aarde, en het volgende half uur werkte het  tweetal geconcentreerd aan een uitslaande brand en een bloederig  ongeluk.

‘Dames en heren wij verzoeken u om deze trein via de voorkant te verlaten.’ kraakte de luidspreker. Niet begrijpend stond iedereen op. De jassen gingen aan en langzaam schuifelde de hele coupé in ganzenmars door de trein. Toen we voorin de trein kwamen zag ik op het spoor naast ons een andere trein staan. De koppen stonden naast elkaar. Er was met een houten vlonder een verbinding gemaakt. Daarover dirigeerde de conducteur zijn reizigers. We waren de laatsten. Achter ons klapte men de loopplank weg. Onze trein zette zich in beweging. Alles is beter dan stilstaan. Zelfs al hadden we een staanplaats toch leek het alsof we binnen de kortste keren in Den Bosch waren. Daar stond de reguliere intercity klaar. Met twee uur vertraging arriveerden we in Maastricht.