Te laat op tijd

Met een vaart van vijfendertig  kilometer per uur nader ik het stationsplein. Dat lijkt langzaam, beste autobezitters, maar voor een fiets is dat een hele vaart. Zeker nu het stationsplein is opengebroken. Een rij taxi's verspert de weg. Ik moet remmen. Het voetpad is opengebroken en er lopen voetgangers over de straat. Weer oponthoud.
'Zal ik de trein naar Rotterdam nog halen.?' Ik kijk op mijn horloge. 13.23 uur. Nog vijf minuten. De groene auto die de doorgang van de taxi's versperde trekt tergend langzaam op. De stroom voetgangers houdt even op. Snel duik ik in de smalle corridor en bereik de voorkant van het station. Ik rijd met een vaartje de stoep op en spring van mijn fiets af terwijl ik nog net een oude dame ontwijk.
‘Kun je niet uitkijken, jongeman?’ roept ze verschrikt. Ik maak een hulpeloos gebaar en wijs achter me naar de oorzaak van alle ellende.

De bestuurder van de groene auto was weer gestopt. Hij draaide het rechter zijraampje open en schreeuwt opzij gebogen uit alle macht ‘Je koffer. Je vergeet je koffer!’ Naar wie hij roept kan ik niet ontdekken. Iedereen kijkt om. Een vrouw in een opzichtige gele jas draait zich om. Ze begint iets te roepen maar haar stemgeluid gaat ten onder in het aanzwellende lawaai van claxonnerende taxi's.

‘Ziet u wel!’ bijt ik de oude dame toe.

De schuifdeuren van het station braken een nieuwe lading reizigers uit. Als een golf komen ze op me af. Snel ren ik nu met de fiets aan de hand naar de ingang van de fietsenstalling. Geparkeerde fietsen versperren de weg. Plotseling zie ik waarom. Een gesloten traliehek sluit de ingang van de stalling af. Op een bordje staat met viltstift geschreven:
‘Vanaf maandag gesloten. Ingang op het stationsplein.’

Een gevoel van paniek maakt zich van me meester. 'Ik mis mijn trein en mijn afspraak.' Mijn horloge wijst 13.25 uur aan. 'Nog drie minuten.' Dan bedenk ik me plotseling 'Natuurlijk. De nieuwe ingang is klaar!' Al een paar dagen zijn werklui bezig de nieuwe ingang van de fietsenstalling in gereedheid te brengen. Snel draai ik mijn fiets om. De moed zakt me in de schoenen. Voorzichtig laat ik me meedrijven in de mensenstroom. Terug langs het opengebroken trottoir tot de rode tegels die het pad markeren naar de nieuwe ingang.

Ik maak me los uit de massa, stap het pad op en loop de ruime, hel verlichtte ingang binnen. Een brede trap met twee paar betonnen geleiders voor de wielen voert naar de kelder. Het is er uitgesproken stil. Bijna sereen. '13.28 uur. Dat haal ik niet meer.' In een zee van TL-licht kijkt de bewaarder me met een gelukzalige blik in zijn ogen  aan. De brede ingang is inderdaad een verademing in vergelijking met de smalle toegang van de oude nood-ingang.
Met één vloeiende beweging til ik de fiets in de bovenstalling. Ik zet hem op slot en begin te spurten. De afstand naar het stationsgebouw is langer geworden door de nieuwe plaats van de ingang van de fietsenstalling. Nog voor ik de stationshal bereik houd ik in. 'Zelfs als ik blijf rennen haal ik het niet meer. Het heeft geen zin meer. het is al 13.30 uur. Mijn trein is al vertrokken.'

Ik loop de boekenkiosk in, kijk op mijn gemak rond en koop een krant. Langzaam slenter ik door de stationshal, door de gang over de sporen, de brede trap af naar de perrons.
‘Gorbatsjov verliest zijn greep op de Sovjet Unie. De democraat Jeltsin trekt alle macht aan zich in een wanhopige poging Rusland van een economische ineenstorting te redden. Zal het Sovjet parlement zijn decreet terugdraaien?’ Het artikel waagt zich niet aan voorspellingen.

Ik kijk op. Het perron is vol wachtende reizigers. Langzaam rijdt een geel-blauwe koploper langs spoor 4 het station binnen. Ik kijk omhoog en lees. ‘Intercity Rotterdam / Den Haag. 13.28 uur.’ En daaronder in het rood. ‘Tien minuten vertraging.’ Een blij gevoel maakt zich van me meester. Toch nog op tijd in Rotterdam. Bij het instappen help ik een vrouw met een opzichtige gele jas met haar loodzware koffer. Voldaan plof ik neer.

Op de NS kun je bouwen.