De Schweiz Express

Langzaam schoof de Schweiz-Express langs perron 7-B. Hevig piepend kwam het gevaarte tot stilstand. Een gevoel van teleurstelling bekroop me. Het was zo'n echte Duitse trein met groen-witte treinstellen waarin aan beide kanten van die typisch open klappende deuren zitten. De loc was Nederlands, uit de 1100-serie. De oudste nog rijdende generatie. Het leek alsof de wagons erachter daar niet voor onder wilden doen. In m'n verbeelding was de trein juist modern geweest, ruim en schoon, het stereotiep van Zwitserland zelf. De deuren klapten open en het tegendeel ontvouwde zich voor onze ogen. We wrongen ons door de smalle opening en door het smalle gangpad langs te veel reizigers die kennelijk geen probleem hadden met meer dan één koffer per persoon. Iedereen was op zoek naar zijn of haar compartiment. Het onze lag aan het eind van de gang. 

Op zo'n moment gaan zelfs de grootste zekerheden wankelen en ik vroeg me af of we niet beter een auto hadden kunnen huren. Bij ons vertrek hadden we de stadsbus al verloochend door een lift met de auto van Daan te aanvaarden. Wanneer het er op aan komt biedt zelfs een rotsvast geloof in de noodzaak van het openbaar vervoer te weinig houvast. Voor onze reis naar Zwitserland hadden we echter geen keus: met het kopen van de treinkaartjes verbrand je alle auto's achter je. 

92-96. Dat waren de plaatsnummers van ons compartiment. Gelaten volgde ik Marion en een uitgelaten Susan en Moniek in de bedompte ruimte die de komende veertien uur mijn gevangenis zou zijn. Zelfs toen overtrof het vervuilde, stoffige, sleetse interieur van het compartiment mijn reeds bij het instappen drastisch bijgestelde verwachting.
Mijn oog viel op de bekende Duitse reclame-poster aan de wand: een lange trein die in het schemerdonker door het landelijke avondlandschap snelt. Daaronder de tekst: ‘Alles schläft einer fährt.’
De geur uit het tapijt op de vloer en de gestoffeerde banken was verstikkend. Ik zag een visioen voor me hoe de ziekenbroeder van de reddingsploeg aan de Zwitserse grens de reclametekst met een zwarte viltstift veranderde in ‘Allen tot, einer lebt.’. Snel schoof ik het raam open om wat frisse lucht binnen te laten.
Voor Susan en Moniek was de reis één groot feest in het onbekende dat zelfs de grootste vuiligheid niet mocht verstoren. Al dagen tevoren vertrouwden ze ons toe hoe graag ze met de trein naar Zwitserland wilden. De nacht doorbrengen in een couchette, stel je voor! Hoeveel nachtjes slapen was het nog?

Ik zette me in een hoek terwijl Susan als een aap in een bovenbed klom en daar een regen van vuil van de vloer uit haar sokken op me neer liet dalen. ‘Hier liggen de dekens.’ riep ze. Direct daarop kwam er één uitgevouwen naar beneden waardoor het stof-gehalte van de lucht elke veiligheidsnorm begon te overschrijden.

'Hoe overleef ik dit?' vroeg ik me af en mijn gedachten grepen verlangend terug naar de lange uren die we in het grijze verleden jaarlijks maakten op de Duitse autobahn op weg naar onze vakantiebestemming. Ik dacht aan de autoventilator die onder het rijden effectief de warmte verdreef. Aan de Raststätte waar we om de twee à drie uur koffie dronken en taart aten. Aan de stijve benen bij het uitstappen en tegen de middag de 'blikke kont' van het lange zitten..... Dat was pas reizen.

Terwijl de twee in de bovenbedden speelden maakten Marion en ik op de benedenbanken hun bed op. Toen we Arnhem verlieten was het voorleesverhaal uit en even later sliepen ze alsof ze dagelijks met de nachttrein naar Zwitserland voeren, zonder ook maar de minste hinder te ondervinden van de verstikkende atmosfeer van het compartiment.

Ik zat aan het voeteneind, bij het raam, Marion tegenover me, en we staarden naar het langsrazende landschap. Ik verloor elk gevoel voor afstand. Alleen de tijd telt in de trein. Het langsschuivende landschap heeft niets met de tastbare werkelijkheid te maken. Dat is anders met de auto. Bij elke tussenstop kom je even buiten en herleeft het gevoel voor afstand.

De teinbegeleider onderbrak mijn gedachten. We gaven onze kaartjes en paspoorten af. Hij verzekerde ons een storingsloze nacht zonder douane-faciliteiten. Welke auto die de Duits/Zwitserse grens passeert kan daar tegenop? Die gedachte gaf een ontspannen gevoel. We keken elkaar aan. Hadden we nu die fles wijn maar meegenomen. Ik ging op zoek naar de restauratiewagen. Bij navraag bleek onze purser ook kleine flesjes wijn te verkopen. Tegen een vriendenprijs van tien Duitse marken per  fles - in een Raststätte betaal je minstens zoveel - kocht ik de rest van een ontspannen reis door de nacht. Want toen we tegen elf uur zelf gingen slapen, kon zelfs het 1.80 m. korte bed geen ergernis meer bij me wekken. Ik knipte het licht uit en het laatste dat ik zag voor ik de volgende ochtend in Bazel wakker werd was de poster aan de wand:

‘Alles schläft, ener fährt.’