Sonja

Ik had het eerst niet in de gaten. Ik zat geconcentreerd te werken. Een voor een dicteerde juffrouw Blom de woorden van de zin. Ik herhaalde ze in mijn gedachten terwijl ik letter voor letter opschreef. We gebruikten kroontjespennen. Pas aan het einde van het schooljaar zouden we balpennen krijgen.

‘Pst..... pst.....’

Het was een beetje rommelig in de klas. Veel kinderen hadden hun pen al teruggelegd in de speciaal daarvoor uitgespaarde gleuf aan de bovenkant van hun houten bureau. Ze keken in het rond. Ik had ook juist mijn kroontjespen neergelegd en droogde de glinsterende blauwe inkt met het felroze vloeipapier. Het vloeipapier was gespannen over een halfrond maanvorminge houder zodat je over de inkt kon rollen als een mini schommelstoel. Voorzichtig snoof ik de mysterieuze inktgeur op, en vroeg me af wie met het sissende geluid de aandacht trok.

We zaten twee aan twee in de banken. Mijn schrijfschrift lag op de schuine houten lessenaar die vol was gekrast met letters en kleine tekeningetjes. Onder het bureaublad was een ruimte voor boeken, potloden, letterdoos en andere onontbeerlijke instrumenten van de lagere school leerling. Met je voeten kon je rusten op een houten balk. Maar je kon ze ook naar voren steken en je voorbuurvrouw tegen de blote kuiten tikken. Van de houten zitting en rugleuning herinner ik alleen nog de pijn aan het einde van de schooldag.

‘Hé?! Pst!’ hoorde ik opnieuw schuin achter me.

De juf keek beurtelings van het schriftje voor haar op het bureau naar de klas en herhaalde op dicteersnelheid: ‘Het    huis    is    tot    de    grond    toe    afgebrand.    Punt.’
Afgebrand. Moest dat nu met een ‘d’ of een ‘t’ op het einde"? Snel herhaalde ik in gedachten ‘t-kofschip. Geen ‘t’ dus maar een ‘d’.

‘Pst..... pst.....’

Voorzichtig draaide ik mijn hoofd naar het storende geluid. Het was Sonja. De schoolbanken stonden in drie lange rijen. Twee kinderen per bank. Sonja zat in de rij naast die van mij, een paar banken verder naar achteren. Ze keek in mijn richting. Ze zwaaide met iets in haar hand. Even later voelde ik een tik op mijn ruig. Uit de banken stak een hand, met een klein opgerold briefje erin. Een briefje werd doorgegeven. Ik pakte het aan en wilde het doorgeven aan de volgende. Mijn oog viel op de woorden 'voor Hans'.

Juffrouw Blom zag het niet. Ze liep in de volgende rij tussen de banken en herhaalde langzaam woord voor woord de zin die ik al op papier had staan. Snel pakte ik het papiertje aan en verstopte het kleinnood onder mijn lessenaar. 

Juffrouw Blom begon met een nieuwe zin. Ik doopte mijn pen in het inktpotje dat rechtsboven verzonken was in de bank. Ik tikte een druppel inkt van de pen af en hoorde achter me de stem van de juffrouw. ‘De hond zit in de tuin.’ Ik bracht mijn pen naar het papier. ‘De’ ‘hond’ herhaalde de juffrouw. De pen raakte het papier. Tot mijn schrik verscheen een dikke druppel inkt waar ik de ‘D’ had willen schrijven. 

Ik voelde dat juffrouw Blom achter mij stil had gehouden. Er viel een lange pauze. Een voor een keken de leerlingen op van hun papier. Waar bleef de rest van de dictee-zin. Ik wist wat volgen ging. Ik greep mijn vloei-papier en zoog de inktdruppel in het purper papier. 

‘Je zit weer te knoeien he, Hans?!’ klonk de scherpe beschuldigende stem van de juf. Het had geen zin om te antwoorden. Nu zou een tirade volgen. Over zorgvuldig afstrijken van de pen. Over schoonmaken van de pen na het schrijven. Over tijdig gebruiken van nieuwe pennen. Over niet te hard drukken op het papier, want dan bogen de twee delen van het metaal te ver uit elkaar. Over al die onzorgvuldigheden waarvan ik nu werd beschuldigd en waarop ik geen verweer had. Want die dikke druppel had ontegenzeggelijk een centimeter grote blauwe ronde vlek achtergelaten waar ik de letter ‘D’ had willen schrijven.

Juffrouw Blom liep eindelijk verder. Ik keek rond.

‘Voor de laatste keer’ zei juffrouw Blom dreigend. ‘En stil allemaal. Ik wens absolute stilte.’

Er viel een diepe stilte.

‘De hond zit in de tuin. Punt’. Ze wachtte even en zei toen met scherpe stem.

‘Pennen neer’ 

Er klonk een geklater van zachte tikken waarmee de laatste kinderen hun pen in de gleuf legden. Daarna klonken diepe zuchten door de klas. De dictees van Juffrouw Blom waren niet eenvoudig.

‘Geef de schriften door naar voren’ commandeerde juffrouw Blom.
Met veel geschuif, gestommel en gelach gingen de schriften naar de voorste bank, waar de juf de stapels verzamelde. 
Ik vouwde het briefje open. In kinderlijk handschrift stond geschreven ‘Wil je met me gaan?’

Ik kreeg een hoofd als een pioen. Wilde ik met Sonja gaan? Met Thea wel, maar die was op Dirk. Met Marjan misschien ook wel, dat lieve kleine blonde meisje een paar banken recht voor me. Maar met Sonja? 

Sonja was een forse stoere meid. Niet de slimste van de klas. Vaak flapte ze er maar wat uit als de juf haar een vraag stelde. Dan lachte de hele klas haar uit. En dat had ze dan niet eens door!

Ik schreef op de achterkant "Ja" en gaf het papiertje terug. Het ging van bank naar bank tot het bij Sonja was. Die vouwde het open en keek me stralend aan.

We spraken die middag af. Niet thuis bij de ergerlijke glimlach van mijn moeder, maar op de hoek van de straat. We liepen over de Reineveldbrug langs het Kalverbos en langs de Basinol naar het bouwterrein van het nieuwe treinviaduct. De brug over de gedempte gracht was al gesloopt. Maar je kon er langs. En dan richting het Nieuwe Park. Het grasveldje rechts lag bezaaid met grote betonnen rioolbuis-segmenten.

We liepen er wat rond. Ik weet niet meer wat we tegen elkaar hebben gezegd. Misschien deden we verstoppertje. Ik weet het niet, maar op een gegeven moment zag ik Sonja niet meer. Ik heb overal gezocht, haar naam geroepen. Maar Sonja was onvindbaar. Zou ze gevallen zijn? Ergens bewusteloos in een stuk rioolbuis liggen? "Sonja" riep ik nog een aantal malen. 

Toen ben ik omgedraaid en ben ik alleen naar huis gelopen. "Waar is je vriendinnetje?" vroeg mijn moeder met haar irritante lachje. "Naar huis." loog ik.

De volgende dag op school was Sonja gewoon aanwezig. Ze was dus niet vermist en zou dus niet in het riool naar de Noordzee spoelen. 

Ik heb nooit meer een woord meer met haar gewisseld. Gelukkig.

12 september 2008