Elsa

Soms kom ik haar weer tegen.
Dan staat ze onverwachts voor me in de tram te praten met een vriendin, of in de winkel bij de kassa samen met een vriend. Dan staar ik naar haar vriendelijke open gezicht, haar mooie blonde krullende haren.

Laatst gebeurde het in Amsterdam. Het was midden in de zomer. Lijn 2 stopte op de Paulus Potterstraat, schuin tegenover het van Gogh museum. Het was warm. Ik stapte in en moest blijven staan want er waren geen zitplaatsen meer. Voor in de tram stonden twee meisjes druk te praten. Eén van hen had lange blonde krullende haren. Ze stond met haar rug naar me toe. De tram begon vaart te maken en spoedde zich knarsend en rammelend naar de volgende halte. Plotseling draaide ze haar hoofd in mijn richting en ik keek verbouwereerd in de bruine ogen van Elsa. Zomaar kwam ik haar tegen. Midden in Amsterdam. Ze glimlachte alsof ze me herkende maar niet meer precies wist waarvan.

De tram stopte. De deuren klapten open. Nog meer reizigers vulden het gangpad waardoor ik Elsa niet meer kon zien. Ik durfde niet in haar richting te lopen want ik wist niet wat ik tegen haar zou moeten zeggen. Naast me stond een vrouw op en werkte zich naar de uitgang. Ik zeeg neer op de lege plek en bedacht met weemoed dat het tussen Elsa en mij allemaal anders had kunnen lopen.

De tram remde af voor de volgende halte. De deuren zwaaiden piepend open en overal verschenen donkerblauw geüniformeerde controleurs. Een van hen riep 'Dames en heren. Uw vervoersbewijzen alstublieft.’
Ik haalde mijn portefeuille uit mijn binnenzak en toonde gedachteloos de afgestempelde strippenkaart. Voorzichtig haalde ik de foto te voorschijn. Ontelbare malen heb ik hem al bekeken.

We hadden het hockeytoernooi gewonnen. Het was voor ons het laatste jaar op de middelbare school. Samen met mijn schoolkameraden poseerden we. Twee rijen jongens, de voorsten gehurkt. De beker in het midden op het gras. Ik houd in mijn ene hand mijn hockeystick en in mijn andere hand een roos. Iemand had de roos in mijn handen gedrukt en gezegd 'van Elsa.’ Verbaasd had ik die naam herhaald. Ik wist toen niet wie ze was. Ik kende geen Elsa. Ik schonk er verder geen aandacht aan. We vierden feest en genoten de rest van de middag met volle teugen van de aandacht van onze medeleerlingen, totdat iedereen was vertrokken. Als één van de laatsten verliet ik de kantine en liep naar de kleedkamers om mijn sporttas op te halen.

Eén voor één bestudeerde ik de gezichten van jongens op de foto. Het is een ritueel geworden, een omtrekkende beweging, een excuus, om die gezichten op de foto elke keer weer opnieuw te bestuderen. Want ik kan ze uittekenen die blije trotse gezichten. Ik weet waar mijn blik uiteindelijk op zal blijven rusten. Ik sta in het midden. Het lijkt alsof de roos die ik zo achteloos in mijn hand houd groeit en langzaam al het andere verdringt. Tot alleen nog die roos van Elsa over is.

Ik keek even op van de foto en tuurde door de tram, maar de opeen gepropte reizigers benamen me het uitzicht.

In de kleedkamer pakte ik mijn sportkleren bij elkaar en opende mijn tas. Daar lag hij. Even dacht ik 'Wie is Elsa?'. Voorzichtig legde ik mijn kleren naast de roos. 'Een grap van een van m'n kameraden’ flitste door mijn hoofd. Ik ritste de tas voorzichtig dicht.
Mijn teamgenoot Hans kwam de kleedkamer binnen. 'Dat was mooi man.’ verzuchte hij.
'Ja.’ antwoordde ik. 'De hele school heeft gekeken. Jammer dat het de laatste keer was. Volgend jaar zijn we van school.’
Hij grinnikte. 'Heb je dat groepje meisjes uit de derde klas gezien? Ze riepen de hele tijd 'Hup Hans.’
Ik lachte. 'Ze hebben vast een oogje op je.’
'Zou je denken?’ vroeg hij ernstig. 'Ik dacht dat ze jou bedoelden, je heet tenslotte ook Hans.’
Ik haalde mijn schouders op.

Hans verliet de kleedkamer en liet me met mijn gedachten alleen.
Ik kende de meisjes waarop hij doelde. Vrijwel elke dag kwamen we ze tegen als we bij de wisseling van de lessen van het ene klaslokaal naar het andere liepen. Het was een giechelend stel waar je je als veel oudere zesdeklasser niet veel van aan hoorde te trekken. Maar heimelijk had ik vaak naar dat ene meisje gekeken. Dat ene meisje met die lange blonde krullende haren, zoals ze daar, aan mijn gezichtsveld onttrokken, bij toeval vóór in de tram stond. Iets aan haar had mijn aandacht getrokken. Waren het haar blikken geweest of was het juist andersom gegaan en hadden mijn blikken haar aandacht getrokken? Ik weet het niet meer. Ik wist niet hoe ze heette. Wat ik wel weet is dat ik elke dag in het drukke gewoel en gepraat en geloop van de schoolgang haar ogen zocht en zij die van mij. Tot onze ogen elkaar bij wijze van groet troffen, waarna we elk al pratend met onze eigen vrienden en vriendinnen onze weg vervolgden.

Ik greep mijn tas en liep naar buiten. De avondzon wierp een oranje gloed over de wereld. In de verte aan de andere kant van het hockeyveld stond een eenzame gestalte. Ik stopte en zag hoe de zon haar krullen feeëriek verlichtte. Ze kwam langzaam in beweging en liep en paar passen in mijn richting. Ik keek om mijn heen. Het was stil en er was niemand te bekennen. Ik hoorde alleen het roepen van de zwaluwen die hoog door de lucht scheerden. Een gevoel van een aangename opwinding en angst tegelijk maakte zich van me meester toen ik in haar richting begon te lopen. Maar na enkele passen stopte ik en aarzelde. Ze stond daar nog steeds. Afwachtend, kwetsbaar, alleen.
'Ze is zo jong.' flitste door mijn gedachten. 'Als ze wat ouder was. Ja, als ze wat ouder was. Als ze geen jong meisje meer is, ja dan....'
Abrupt draaide ik me om. Zonder verder om te durven kijken heb ik het sportcomplex verlaten en ben ik naar huis gegaan.

's-Avonds heb ik op mijn kamer, terwijl de twijfel aan me knaagde, haar roos in een glas gezet. De volgende dag op school heb ik haar niet gezien. Pas dagen later zag ik haar weer voor het eerst. Maar hoe ik ook heimelijk naar haar keek, vanaf dat moment hebben onze ogen elkaar niet meer ontmoet.

 
De tram remde af en kwam piepend op de halte voor het Centraal Station tot stilstand. De passagiers stroomden naar buiten. Met weemoed zag ik haar een stukje verderop lopen. Met mijn ogen volgde ik haar in de gloed van de oranje avondzon, tot ze opging in de massa reizigers die zich naar de treinen spoedden. 

Ik bleef alleen zitten in de warme tram. Opnieuw kwam diezelfde vraag weer bij me op. Wat zou er met mijn leven zijn gebeurd als ik het veld was overgestoken? 

Voorzichtig borg ik de foto weer in mijn portefeuille op. Ik weet dat ze het niet geweest kan zijn. Sinds het schooltoernooi zijn dertig jaren voorbij gegaan. Ze is nu geen jong meisje meer. 

20 december 2000