Survivallen

Frans is een levensgenieter. Hij geniet vooral van sport (hardlopen en mountainbiken in het bos), en van vrienden en samen op survival gaan in de natuur.
Hij is van gemiddelde lengte, slank, op het magere af. Zijn ronde hoofd is al ver aan het kalen. Op zijn neus staat een eigenwijs brilletje.
Frans is een van de weinige mede-revalidanten die niet alleen maar over zichzelf praat. Hij is breed georiënteerd en oprecht belangstellend in een ander. Met Frans heb ik vriendschap gesloten.

Op een warme avond zaten we buiten. De lage zon speelde een geel-oranje gloed op de bomen en de struiken. Samen bewonderden we de prachtige jasmijnstruik die in volle bloei stond. Met witte bloemen met vier bladen, en daarbinnen, in een verrassende carré-vorm, de oranje meeldraden.

Hoewel ik moe was, had hij me overgehaald te blijven zitten en zo uit te rusten.
Dan moet jij even je mond houden. Had ik als voorwaarde gesteld.
Tien minuten zaten we zo zwijgend naast elkaar en hoorden de wind door de bomen blazen. Heerlijk.

Frans heeft een pin in zijn heup, loopt moeilijk en heeft nog pijn. Hij had hem gebroken toen hij van zijn mountainbike was afgetuimeld. Maar wat zijn leven extra moeilijk maakt is dat hij lijdt aan de ziekte van Parkinson. Hoewel hij er medicijnen tegen slikt, trilt zijn linkerhand voortdurend. Af en toe heeft hij ook last van astma.

Frans woont op nog geen kilometer van het revalidatiecentrum. Hij is nu intern, maar hij wil zo snel mogelijk naar huis, en voor de therapieën terugkomen in dagbehandeling.
Openhartig vertelt Frans dat zijn vrouw liever heeft dat hij ook ‘s-nachts in het revalidatiecentrum blijft, en daar inmiddels thuis ook de slaapkamer op heeft ingericht. Daar hadden ze nu ruzie over. Maar uit zijn woorden begrijp ik dat Frans zijn zin krijgt en 18 juni naar huis gaat en overgaat naar de dagbehandeling. Thuis survivalt hij dus in ieder geval.

Toen ik vroeg naar de medicijnen tegen Parkinson, zei hij dat het trillen langzaam toenam. Hij voegde er aan toe: ‘als de ziekte te ver gaat, dan maak ik er een eind aan’.
‘Dan moet je wel een arts vinden die dat wil doen’. Opper ik.
Hij lacht. ‘Nee ik weet precies wat je moet doen. Welke pillen. Dan val je in slaap, en dan is het over. Geen lijdensweg voor mij of voor mijn familie. Een prachtige dood. Ik ben niet bang voor de dood’. Voegt hij er aan toe. ‘Ik ben niet levensmoe, versta me goed. Ik wil volgende maand met mijn vrienden gaan survivallen. Tegen mijn fysiotherapeut heb ik gezegd dat hij me daarvoor klaar moet maken’.
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Lijkt me nogal onverantwoordelijk’. Zeg ik dan.
Hij lacht weer. ‘Ach, het is niet meer zo zwaar als jaren geleden. Een paar kilometer hardlopend door het bos. Met 25 kilo op je rug’.

Ik kijk hem nadenkend aan. Hij gaat survivallen! Dat zie ik. Dat weet ik zeker.

 

mei 2014.