Reconstructie van een ego

Wouter spoort niet. Hij weet dat zelf ook. Dat maakt het nog erger, want Wouter doet voortdurend zijn best zichzelf opnieuw uit te vinden, om uit losse stukjes gedachten die in zijn hoofd rondzweven zijn oude ik te reconstrueren. Wat er zich precies achter dat grote ronde litteken op zijn kaalgeschoren hoofd afspeelt is me niet duidelijk. Ook voor hem zelf niet. Dat is zeker.

Hij is nog jong. Ik schat hem even over de dertig jaar oud. Niet groot, stevig gebouwd. Waarschijnlijk sportief. Hier en daar een tatoo. Een beetje een brutaal uiterlijk. Felle schichtige ogen die je steeds kort aankijken als hij het woord tot je richt en daarna voortdurend rondscannen. Met een grijns op zijn gezicht, die zegt: “ik heb gelijk, dat snap je toch wel.”, waarmee hij zijn woorden benadrukt.

Hij kan niet zelfstandig lopen en heeft een onwaarschijnlijke behendigheid ontwikkeld in het zich voortbewegen met zijn onafscheidelijke rollator. Daarop hangt hij met zijn lichaam enigszins voorover, en stept hij met aanzienlijke snelheid door de gangen van het Militair revalidatiecentrum. Ja het is een soort steppen en hippen met zijn goede been, terwijl hij zijn slechte been opgetrokken houdt. In het bakje van de rollator ligt een blinkend metalen fittness gewicht, een flesje met frisdrank en een schriftje.

Wouter is mijn buurman. Ik zie hem vaak. De deur van zijn kamer staat altijd open. "Dag buurman", roept hij als ik langs kom. Soms raken we in gesprek. Of beter gezegd: raakt hij in gesprek met mij.
Een gesprek met Wouter bestaat van zijn kant hoofdzakelijk uit stellingen en soms ter afwisseling een retorische vraag. Zoiets als “Ik heb een hoge IQ buurman. Van wel 140.” Of,  “Ik kan goed lopen.” Het lijken wel herinneringen die hij achter elkaar plakt en zo probeert tot leven te roepen.
Als ik hem vraag hoe het met hem gaat, dan antwoord hij meestal: “Het gaat niet zo goed, dat kan je zeker wel zien.”
Dat nodigt uit tot een volgende vraag van mij: “wat is er dan?”.
“Ik kan niet tegen het lawaai.”
Dat nodigt uit tot een volgende vraag van mij, waarop hij weer met een stelling antwoordt. En zo gaat het eindeloos door.
Bijvoorbeeld. “Ik kan goed moeilijke woorden schrijven.”

Naar dat soort opmerkingen luister ik maar half. Maar die laatste zin wekte mijn belangstelling. “Foutloos schrijven?”
Hij knikte, pakte het schriftje uit het mandje van de rollator en zegt trots: “in dit schriftje.”
“Ben je moeilijke woorden aan het spellen?”
“Je kan me helpen buurman. Ik heb ze uit het woordenboek gehaald, hardop voorgelezen en daarna zonder af te kijken allemaal foutloos opgeschreven in dit schrift. Kijk maar.”

Ik keek in het schriftje. Daar stonden honderden meerlettergrepige woorden in houterig handschrift opgeschreven. Ik zag onmiddellijk diverse fouten.
“Goed he?”
Ik knikte.

In de weken dat ik Wouter meemaakte ging hij langzaam achteruit. Hij klaagde steeds meer. Niets was goed. Alles werkte hem tegen. Als er meer personen bij hem in de buurt zaten tijdens het eten, kreeg hij het benauwd. Op een keer begon hij plotseling te schreeuwen. “Ik ben agressief.” En om dat te bewijzen smeet hij een stoel opzij.
Vanaf dat moment at hij alle maaltijden alleen op zijn kamer of in de kleine eetkamer vlakbij zijn eigen kamer. Maar het hielp niet. Soms was een verpleegkundige een uur of meer met hem in discussie. Door de open deur van zijn kamer hoorde ik Wouter dan zijn argumenten herhalen en in kringetjes ronddraaien. En verbaasde ik me over het engelengeduld van het verpleegkundig personeel. Wouter kreeg het niet op een rijtje. In stukjes en beetjes kreeg je te horen wie hij was, wat hij vond, wat er mis was. Maar een samenhangend verhaal werd het niet.

Op een dag was hij weg. Zijn kamer was leeg. Weggegaan naar huis, hoorde ik. Hij had in de brij van woorden en beelden niet gevonden wat hij zocht: zijn ego.


Juni 2014