Jan

Ik had Jan al wel diverse malen gezien, maar door omstandigheden duurde het bijna twee weken voor ik in de gelegenheid was om kennis met hem te maken. Dat moet toeval zijn geweest. Want hij loopt bijna elke dag door het restaurant. Dat heeft me aanvankelijk ook op het verkeerde been gezet. Want uiterlijk mankeert hij niets. In tegendeel; hij maakt een kwieke en vitale indruk. En ik dacht eerst dat hij tot het personeel behoorde. Dat wil zeggen tot een van de vrijwilligers die in het restaurant de revalidanten behulpzaam zijn bij het vervoer van de etensplateau’s van het buffet naar de tafel. Ik had het kunnen weten. Dat personeel loopt in paarse kleding, en Jan niet. Maar Jan was even behulpzaam als de vrijwilligers bij het dragen van de etensplateau’s van de rolstoelers en de keuze van voedsel en drank. Al snel moest ik mijn oordeel bijstellen toen ik zag dat Jan zelf ook plaatsnam aan de grote etenstafel en daar al geanimeerd pratend zijn eigen eten opat. Het viel me daarbij wel op, dat Jan’s buurmannen en buurvrouwen altijd wat glazig naar hem staarden, wanneer hij druk gesticulerend zijn verhaal aan hen deed. Ik ving flarden op: “84”, “een medisch wonder” , “boomtop” en nog meer. Maar ik zat niet dicht genoeg bij het gesprek en het bleven flarden.

Jan is een redelijk grote, slanke man met grijs peper en zout haar. Borstelige pikzwarte wenkbrauwen en een haviksneus. Ik schatte hem achter in de zestig. Hij lijkt sprekend op Cesar uit de stripboeken over Asterix en Obelix.  Vorsend kijkt hij met vriendelijke blik rond en hij heeft een aangename volle lage stem.

Jan zit ook wel eens alleen aan een tafeltje. En toen de grote tafel een keer helemaal vol was en er helemaal geen plaats meer over was schoof ik bij hem aan.

“Ik heet Hans, en jij?”

“Jan, aangenaam” antwoorde hij.

“Waarom ben jij hier?” vroeg ik. “Je loopt rond alsof je helemaal gezond bent.”

“Dat ben ik ook.” Baste hij vrolijk. “Ik ben 84 jaar oud en ik voel me als een vijftiger.”

“Werk je hier?” vroeg ik, beter wetend.

Hij moest lachten. “Nee, ik ben hier twee weken geleden gekomen vanuit het ziekenhuis. Ik had een schedelbasisfractuur en een bloedprop in mijn hersenen; vijf gebroken ribben, een klaplong en een gebroken arm. Maar in korte tijd ben ik bijna volledig hersteld. De artsen zeggen dat het een medisch wonder is op mijn leeftijd.” Hij glimlachte trots en vervolgde. “Maar ik denk dat als je altijd gezond hebt geleefd, dat zoiets vanzelfsprekend is.”

Ik kon hem geen ongelijk geven gezien zijn uiterlijk en onwaarschijnlijk snel herstel.

“Maar wat doe je dan hier Jan?” vroeg ik.

“De artsen willen het nog even aanzien.” Zei hij. “Maar ik verwacht snel naar huis te kunnen.”

Ik knikte en vervolgde, “Maar Jan wat is er dan gebeurd dat je zo gewond bent geraakt?”

“Oh.” Antwoordde Jan enigszins beschaamd. “Ik was een boom aan het toppen, en toen ben ik naar beneden gevallen.”

Ik zag een stereotiep beeld voor me, uit een tekenfilm, waarin een houthakker boven in de boom de tak aan het doorzagen is waarop hij zit.
“Dat is wel erg dom, Jan!”

Hij knikte. “Ja, heel dom. Maar ik doe dat elk jaar en het ging tot nu toe altijd goed.“

Meer kon Jan eigenlijk niet vertellen en hij deed er het zwijgen toe, tot hij van tafel opstond en hartelijk groette.
De volgende dag zat ik tegenover hem aan de grote tafel en hoorde hoe hij zijn verhaal vertelde aan zijn buurman. En de dag erna opnieuw. En de dag erna weer.
En eindelijk begreep ik waarom Jan nog niet naar huis was.

 

Mei 2014