Wachten op Henk

Een felle bliksemschicht verlicht de rommelige zolderkamer. Even blijft het onheilspellend stil. Dan volgt een rollende donder gevolgd door het  geluid van de regendruppels dat snel aanzwelt tot een oorverdovend lawaai, om dan even snel weer weg te vallen. 

Stefan zucht en zegt. ‘Kunnen we niet aan iets anders denken?’ Ik heb er genoeg van. Laten we gaan. Het heeft geen zin om nog langer te wachten.’ hij staat op en beent onrustig door de kamer. Voor het raam van de dakkapel staat hij even stil en staart naar de natte straat buiten. Dan draait hij zich abrupt om. Hij kijkt naar de andere vier die weggedoken zitten in de te grote bruine zitmeubels. ‘We hebben vanmorgen al twee uur op hem zitten wachten. En nu zitten we hier alweer twee uren. Het wordt avond ik ben moe, ik heb honger, ik moet nog studeren. Hij duikt wel weer op, maar daar wil ik niet op wachten. Ik heb er genoeg van.’
‘Hou je mond Stefan.’ spreekt Vera met vermoeide stem.
Marloe kijkt in een handspiegel terwijl ze met een klein borsteltje het zwart van haar lange oogwimpers bijwerkt. Ze werpt even achtenloos een blik op Stefan, rommelt in haar tas, pakt haar lippenstift en begint het felle rood van haar lippen bij te werken. 

Peter bijt op zijn nagels. Zijn gezicht ziet bleek en steekt scherp af tegen zijn korte zwarte krullende haren. Hij draait zich naar Synthia en vraagt. 
‘Hoe laat heeft hij jou gisterenavond precies gebeld.’ 
‘Dat weet je toch.’ verzucht Synthia. ‘Ongeveer half negen. Het journaal van acht uur was nog niet zo lang afgelopen.’ Ze heeft rode randen om haar ogen en zware wallen. Haar askleurige halflange haar zit in de war. Ze heeft haar voeten onder zich getrokken en zit als een zielig hoopje mens helemaal in elkaar gedoken.
‘Ja dat weet ik wel.’ zegt Peter. ‘Hij heeft ons allemaal gisteravond voor half negen gebeld met de dringende vraag om hier vanochtend om tien uur te zijn. Dat hij Stefan en mij belde snap ik. Hij wist dat we vanmorgen niet met hem mee zouden gaan met hardlopen. Maar waarom jou als laatste? Je bent tenslotte zijn vriendin. Waarom heeft hij niet eerst jou gebeld?’
Synthia wrijft met haar hand over haar voorhoofd, dan in haar ogen. Ze krabt in haar nek. ‘Ik weet het niet.’ zegt ze aarzelend. ‘Misschien heeft hij mij ook als eerste gebeld. Ik was pas kwart over acht thuis. Ik heb de hele dag in de bibliotheek gestudeerd en daarna ben ik gaan eten in het universiteitsrestaurant.’

‘Moeten we dat nu weer allemaal herhalen.’ mengt Vera zich weer in het gesprek.
Zij ziet er nog fris uit, niet zo afgetobd als de anderen. Alsof ze niet bij de groep hoort. Alsof ze een verzorgster is die de vier deelnemers aan een zware survivaltocht bij thuiskomst opvangt.
‘Misschien zien we wat over het hoofd.’ antwoordt Peter. ‘We zien vast iets over het hoofd. We moeten iets over het hoofd zien. Hij heeft haar niet op haar mobile telefoon gebeld.....’
Synthia haalt haar schouders op. ‘Hij is een krent. Als hij geld kan besparen dan doet hij dat. Hij zit altijd zonder geld. Waar hij het laat? Ik weet het niet. Hij belt me bijna nooit op mijn mobiele. Ik moet altijd hèm bellen. Ik moet hem zelfs geld lenen.’
‘Ach.’ spreekt Vera ‘Hij is niet alleen een krent, maar ook een sloddervos. Moet je deze zolderkamer nu zien. Overal rommel en overal stof. Zijn bed niet opgemaakt. Alle boeken door de kamer. Niets op zijn plaats.’ Ze trekt haar eigen keurige kleren recht.

‘Ga je met me mee naar huis Vera.’ vraagt Stefan haar.
Als antwoord glimlacht ze hautain. ‘Kan je zelf niet koken? Of moet ik je helpen bij het studeren?’
Stefan aarzelt en kijkt haar een ogenblik nors aan. Dan zegt hij. ‘Nou en? Mag ik? Wie houdt er nou rekening met een verdwijning?’

‘Hij was zeker een sloddervos.’ vervolgt Peter onverstoorbaar. ‘Dat verontrust me juist. Henk ruimt best af en toe op. Zeker als hij bezoek verwacht. Zo'n bende heeft hij er nog nooit van gemaakt. Het is ook niets voor hem om ons alle vijf eerst één voor één op te bellen om langs te komen en dan zelf niet komen opdagen. Er moet een reden zijn waarom hij Synthia het laatste belde en waarom hij ons allemaal op zo'n raar tijdstip uitnodigt.’ 

Synthia zwijgt. Met een bleek gezicht staart ze voor zich uit. Ze kijkt weg. Er glinstert een traan in haar ogen. Peter ziet het en vraagt. ‘Wanneer heb je hem eigenlijk voor het laatst gezien?’
‘Stil toch Peter.’ spreekt Vera. ‘Je ziet toch dat ze het er moeilijk mee heeft. Het is niet niks als je vriend spoorloos verdwijnt.’ 
Synthia barst plotseling in een smartelijk snikken uit. 

‘Ook dat nog.’ zucht Stefan. Hij loopt met geërgerd gezicht terug naar het raam van de dakkapel en kijkt naar de natte glinsterende wereld beneden hem. Het begint te schemeren. Hij draait zich om. ‘Zullen we gaan Vera?’ vraagt hij. ‘Als ze zo doorgaat met huilebalken dan heb ik het wel gezien hier.’
‘Stil toch Stefan!’ spreekt Vera.
‘Wat is er Synthia?’ vraagt Marloe. Ze slaat een arm om haar schouder. Synthia maakt zich met een bruuske beweging los. ‘Laat me los.’ snikt ze met haar handen voor haar gezicht. ‘Jij weet precies wat er aan de hand is!’ 
Marloe krijgt een rood hoofd. Peter kijk haar vragend aan. 
‘Ik weet niet...’ weert Marloe af. 
Maar Synthia laat haar niet uitspreken. ‘Het komt door jou...’ snikt ze. ‘Henk heeft het me verteld. Jij hebt hem verleid. Hij had er spijt van zei hij.’
Met grote ogen kijkt Peter heen en weer van Synthia naar Marloe en terug.
‘Daarom heeft hij mij alles verteld wat er is gebeurd.’ 

‘Ik hèm verleid?!’ zegt Marloe vinnig. Ze strijkt haar mooie jurk glad over haar borst en werpt haar zwarte lange haren naar achter. ‘Hij wilde maar al te graag. Eerst me de hele avond drank voeren en lieve woordjes toefluisteren en dan heb ik hem zeker verleid?!’

‘Marloe!’ roept Peter verward. ‘Is het waar wat Synthia zegt?’
‘Je hoort toch wat ik zeg. Hij heeft me dronken gevoerd.’
‘Hou op jullie.’ roept Vera. Ze stelt zich op tussen Peter en Marloe. ‘Synthia, denk je dat dat de reden is waarom Henk niet komt opdagen?’ 
Maar Peter duwt haar opzij voor Synthia kan antwoorden.
‘Jij, met Henk?’ zijn anders zo witte huid krijgt plotseling een rode kleur. ‘Hoe haal je het in je hoofd? 
Marloe strijkt met haar hand door haar haren en kijkt Peter koeltjes aan. ‘Hij heeft me dronken gevoerd.’ herhaalt ze langzaam. 
‘Daar ben je toch zelf bij...’ grauwt Peter. Maar voor hij kan vervolgen gaat Vera weer tussen hen in staan en roept ‘Houd je mond Peter. Laat Synthia antwoorden. Vechten jullie je echtelijke ruzie maar later uit. We moeten weten waar hij uithangt.’
‘Hierover is het laatste woord nog niet gezegd.’ sist Peter naar Marloe die doet alsof ze hem niet meer hoort.

‘Het komt door Marloe.’ snikt Synthia. ‘Door haar heb ik het met hem uitgemaakt. Hij smeekte me of ik hem terug wilde nemen. Maar ik zei nee. Toen is hij afgedropen en nu is hij spoorloos. Misschien is hij wel dood......’

Het woord 'dood' klinkt als de klap van een beul die in één houw het hoofd van de romp van de veroordeelde scheidt. Er valt een diepe stilte die slechts wordt doorbroken door de zachte regelmatige tik van de elektrische wekker op het nachtkastje naast het bed van Henk. 

Vera laat zich weer in haar stoel vallen. 
Stefan loopt naar het bed, pakt de wekker op en trekt de stekker uit het stopcontact. Het tikken houdt op en maakt de stilte nog intenser dan hij al was. Stefan gooit de wekker op het bed. Hij draait zich om naar de anderen. ‘Vroeger.’ spreekt hij ‘ging ik wel eens alleen naar mijn oma op bezoek. Dan kreeg ik thee met een koekje. Dan zat ik in de voorkamer aan de grote eikenhouten tafel waarop een zwaar bordeauxrood tafelkleed lag. Als ze naar de keuken liep en me even alleen liet om nog een ketel water op te zetten, dan zat ik daar in m'n eentje in een intense stilte die alleen maar doorbroken werd door het tikken van een grote houten klok aan de muur. Ook met zo'n irritant geluid: tik, tak. Tik, tak. Tik, tak. Niet regelmatig, maar onregelmatig: tik, tak..... tik, tak...... tik, tak. Alsof de tak de tik wilde inhalen. Op de dag dat mijn oma stierf hield ook de klok op met tikken.

Peter's gezicht loopt weer rood aan. ‘Wat wil je nou met die onzin zeggen Stefan?’ Hij staat op. ‘Kom mee Marloe.’ commandeert hij. 
‘Ik blijf hier.’ Antwoordt Marloe. ‘Ik wacht tot hij terug is.’
‘Onzin?’ vraagt Stefan boos aan Peter. ‘Wat ik vertel is onzin en wat jij zegt is zinnig!’ Hij drukt Peter terug in zijn stoel. ‘Jullie maken je voor niets zorgen. En ruzie zoeken heeft geen zin. Hij is niet dood. De politie heeft zijn signalement en kijkt naar hem uit. We hebben de hele middag overal gezocht. We hebben iedereen die we kenden opgebeld. Iedereen is op zoek. Overal wordt naar hem uitgekeken. Ze vinden hem of hij komt zelf boven water. Er is geen enkele reden om je zorgen te maken. Hij wil ons gewoon een poets bakken. Hij wil ons testen.’

Hij kijkt ze alle vier triomfantelijk aan.
‘Waarom zou hij dat willen?’ vraagt Vera ‘Waarom zou hij ons een poets willen bakken? Waarom wil hij ons testen?’
Stefan zwijgt.
‘Waarom denk je dat Stefan?’ vraagt nu ook Marloe.
‘Ik denk....’ begint Stefan. Maar hij maakt zijn woorden niet af. Peinzend kijkt hij naar Peter. ‘Hij vertelde me twee dagen geleden...’ Weer breekt hij af. ‘Henk was boos op Peter.’
Alle vier staren ze nu naar Peter die zijn schouders ophaalt en Stefan toebijt ‘vertel het ze dan ook helemaal als je het allemaal zo goed weet.’
‘Peter heeft Henk zwart gemaakt bij de trainer.’ zegt Stefan met een stem vol verwijt. ‘Henk mag voorlopig niet meer spelen in het eerste elftal.’

Marloe veert op. ‘Wat heb je gedaan Peter? Hoe kan je zo gemeen zijn geweest. Je weet dat Henk er alles voor over heeft om in het eerste te spelen.’
‘Als jij eens wat minder met hem flirtte!’ antwoordt Peter kwaad. 
‘Oh, nu heb ik het gedaan.’ kaatst Marloe terug. ‘Wat heb je die trainer verteld?’
Peter krijgt weer een rode kleur ‘Niks bijzonders.’ stottert hij. ‘Ik heb alleen maar gezegd dat Henk nog steeds last heeft van zijn knieblessure. En dat heeft hij ook. Daar is geen woord van gelogen!’
‘Maar,’ vult Stefan aan, ‘Je heb ook gezegd dat hij na elke training naar huis strompelt, en dat het steeds erger wordt. En dat is wel gelogen.’

‘Je bent geen haar beter!’ gromt Peter met een woeste blik naar Stefan. ‘Jij maakt hem voortdurend met kaarten geld afhandig en je zit de hele tijd te zaniken wanneer hij eindelijk betaalt.’

Stefan opent zijn mond. Maar Vera legt hem met en dreigend gebaar het zwijgen op. Ze staat op en loopt rusteloos de kamer heen en weer. ‘Dus daarom belde hij me eergisteren op.’ mompelt ze. Ze stopt voor Stefan. Ze prikt met haar vinger in zijn borst. ‘Hij vroeg me of ik jou wilde vragen hem nog even tijd te gunnen met het geld. Ik vroeg wat voor geld? En toen zei hij dat jij nog geld van hem kreeg.’ 
‘Waarom heb je me dat dan niet verteld?’ vraagt Stefan. 
‘Zou je hem dan die tijd hebben gegund?’
Stefan zwijgt. 
‘Hij vroeg of ik hem wilde helpen. Of ik niet even langs zou kunnen komen en hem te helpen bij de opgaven.’ vervolgt Vera schuldbewust. ‘Maar ik zei dat ik geen tijd had. Dat ik het zelf te druk had.’
‘Moest jij hem helpen?’ vraagt Stefan. ‘Met geld?’ 
‘Met de oefenopgaven voor het tentamen van morgen ochtend.’ Antwoordt Vera. ‘Maar ik begrijp nu dat hij waarschijnlijk met me wilde praten over die geldafperserij van jou...’

‘Het tentamen.’ roept Synthia plotseling. ‘Het tentamen! Kijk of zijn boeken en aantekeningen hier liggen. Misschien is hij ergens met zijn boeken en aantekeningen ondergedoken om voor het tentamen te studeren en neemt hij wraak op ons, door er voor te zorgen dat wij niet kunnen studeren.’

Vera loopt naar het volgestapelde bureau en vraag ‘Waar heeft hij zijn aantekeningen liggen?’ Synthia klimt uit haar stoel en gaat naast haar staan. Ze trekt een la open. ‘Hier misschien.’ wijst ze. Ze pakt de hele stapel papieren eruit en begint gehaast te bladeren. Na vijf minuten is ze door de stapel heen gewerkt. ‘Zie je wel.’ Geen aantekeningen.
‘Heeft hij ze niet op een andere plaats neergelegd?’ vraagt Peter. En hij begint samen met Stefan in de kamer te zoeken.

‘Ik heb iemand gekend.’ vertelt Stefan terwijl hij de kussens van de bank één voor één optilt. ‘Die typte al zijn aantekeningen en uittreksels uit op de computer. Hij had een ingenieus opzoeksysteem ontworpen. Eén druk op de knop en hop daar verschenen alle relevante teksten op het beeldscherm. Hij verscheurde al zijn aantekeningen. Zo gauw hij een boek had samengevat verkocht hij het. Nergens in zijn kamer was een papiertje te vinden. En dan ging hij vlak voor een tentamen voor zijn computer zitten om alles nog even door te kijken. Hij haalde alleen maar achten en negens. Totdat.... op een dag er brand uitbreekt op zijn kamer. Zijn computer was kapot. Zijn backup was beschadigd. Alles foetsie. De wet van Murphy. Toen haalde hij een drie.’
‘En toen.’ vraagt Peter. 
‘Toen pleegde hij zelfmoord.’ grijst Stefan. 

‘Stefan alsjeblieft, hou op met je verhalen.’ roept Vera geïrriteerd. ‘Waar staan zijn boeken?’ vraagt ze aan Synthia die één voor één de laden uit het bureau van Henk trekt en de inhoud uitstort op de vloer.
Synthia wijst naar de boekenkast. ‘Als ze niet op de grond liggen dan staan ze misschien daar.’
Vera haalt plank voor plank de boekenkast leeg. ‘Ze staan er niet bij.’ zegt ze bijna juichend. 
‘En dit dan?’ 
Iedereen keert zich naar Stefan die uit de tas van Henk drie boeken haalt en een stapeltje dicht beschreven velletjes papier.

Ze gaan alle vijf langzaam weer zitten. Stefan haalt nog iets uit de tas.
‘Henk's agenda.’
‘Kijk wat er bij vandaag staat!’ roept Marloe.
Stefan bladert tot hij de goede bladzijde heeft gevonden.
‘Jarig, staat er.’ prevelt Stefan. Hij geeft de agenda door aan de anderen.
‘Ik wist het.’ huilt Synthia. ‘Ik wist het, ik wist het..... Waarom heb ik er niet aan gedacht. Waarom heb ik het met hem uitgemaakt?’

Niemand zegt een woord. Het zwijgen duurt lang nu. Langzaam wordt het helemaal donker tot Marloe eindelijk de bureaulamp aan knipt. De lamp geeft de halfverlichte voorwerpen en de gezichten van de vijf een geheimzinnig, dreigend uiterlijk.

Plotseling rinkelt de telefoon. Ze staren met grote ogen naar het toestel. Niemand beweegt. Niemand durft de hoorn van de haak te nemen. 
‘Stefan!’ roept Vera. ‘Neem aan! Straks hangen ze op.’
‘Laat Synthia....’ antwoordt Stefan. 

Synthia gaat naar voren in haar stoel en strekt langzaam haar trillende arm uit naar het toestel. Het gerinkel stopt even abrupt als het begon. ‘Met Synthia...’ fluistert ze. De anderen kijken gespannen toe. ‘Nee kreunt Synthia.’ De anderen zuchten. Ze knikt. ‘Ik kom.’ zegt ze met een grafstem. De hoorn glijdt uit haar handen en blijft doelloos aan de gedraaide draad bungelen. Ze valt terug in haar stoel.  

‘Is hij gevonden?’ vraagt Peter. 
Ze knikt. 'Bij het sportcomplex.....Naast het voetbalveld..... Op de treinrails. Hij heeft zich voor de trein gegooid.......... ‘ Ze begint onbedaarlijk te huilen.

Een felle bliksemschicht verlicht de zolderkamer, alsof Henk nog even op het diepst van hun ellende als aandenken een foto van hen neemt om mee te nemen naar de eeuwigheid. Even blijft het onheilspellend stil. Dan volgt een krakende donderslag gevolgd door het ruisende geluid van uiteenspattende regendruppels dat snel aanzwelt tot een oorverdovend lawaai.  

Ze horen niet dat iemand de zolderdeur opendoet en de trap op komt. Pas als het lawaai van het spattende water plotseling wegvalt zien ze Henk druipnat en spookachtig verlicht door het zwakke schijnsel van de bureaulamp voor zich staan. Ze bekijken hem alsof hij een geestesverschijning is.

‘Hebben jullie het al gehoord?’ vraagt hij met een grafstem ‘De trainer heeft vanmorgen zelfmoord gepleegd. Hij heeft zich voor de trein gegooid. Hij leefde eerst nog. Ik heb de hele dag in het ziekenhuis gezeten. Wat een verjaardag!’

15 mei 2001