Niemand ziet haar staan

Marietje van Beuningen valt niet op. Ze is niet groot, niet klein, niet dik of niet dun. Ze is nooit opvallend gekleed. Alles aan haar is gewoon. Als je haar ziet denk je ‘Oh, een meisje’. Verder denk je niks. Maar meestal zie je haar niet en denk je dus helemaal niets over haar.

Er lopen genoeg opvallende kinderen rond op straat. Omdat ze lelijk zijn of aantrekkelijk of sympathiek. Maar Marietje is niet lelijk of aantrekkelijk of sympathiek. Het is juist die uitstraling die er bij haar aan ontbreekt. Ze heeft geen vriendinnen of vrienden. Ja, toen ze nog een kleuter was speelde ze veel met een buurmeisje. Die woonde net als zij ook in een grote villa, een eindje verderop. Maar toen het buurmeisje verhuisde was het alsof de levenslust van Marietje mee verhuisde. Haar moeder is toen met haar naar de dokter gegaan. Die stuurde haar door naar het ziekenhuis. Daar is ze van top tot teen onderzocht, doorgelicht en binnenste buiten gekeerd. Ze is ook naar een psychiater geweest. Maar hoe de medische wetenschap ook speurde. Marietje was kerngezond, hoogstens wat stil, misschien een beetje achter in haar ontwikkeling. Waarschijnlijk miste ze alleen haar vriendinnetje en daar zou ze wel overheen komen.

Haar vader en moeder, die beiden een volledige baan hadden, lieten gerustgesteld de dagelijkse zorg weer over aan de oppas. Vanaf die tijd leeft Marietje een in zichzelf gekeerd leventje. Ze ontwijkt alles en iedereen. Op de basisschool zit ze stil achterin de overvolle klas. Ze valt niet op. Als de oppas haar van school heeft opgehaald zit ze stil voor de televisie en kijkt naar Kits-net. 's-Zomers mag ze buitenspelen rond het grote huis. Dan zit ze stil midden op het gazon op haar kinderstoeltje tot de oppas haar roept. Maar nu is het buiten te koud.

De oppas heeft geen kind aan haar en kan ongestoord het huis schoonmaken. Tegen een uur of zes heeft ze het warm eten voor Marietje klaar en rent ze na een korte groet naar haar eigen kinderen. Dan is Marietje alleen in huis. Ze maalt het eten langzaam naar binnen; zit nog een tijdje wezenloos voor de televisie en gaat uiteindelijk braaf naar haar bed.

Het is meestal al donker als haar vader en moeder weer thuis komen. Soms steekt er één zijn hoofd om de hoek van de deur van de slaapkamer. Als ze er toevallig aan denken nemen ze nog het logboek van de oppas door. Marietje is dan al in slaap en droomt haar dromen die niemand zal kennen omdat niemand er naar vraagt.

In het weekend zit ze stil achter in de auto en loopt gedwee achter haar ouders die graag musea bezoeken en uitstapjes maken omdat ze liefhebbers zijn van kunst en moderne architectuur. Zo gaat het week in week uit. Een vast patroon waarmee iedereen tevreden lijkt.

Tot op een maandag morgen de oppas belt.
Marietje wordt wakker van de rinkelende telefoon naast haar bed. Langzaam staat ze op en neemt de hoorn van de haak.
‘Met Marietje.’ prevelt ze haast onhoorbaar.
‘Dag Marietje.’ zegt de oppas aan de andere kant van de lijn met een schorre stem. ’Wil je aan je ouders doorgeven dat ik ziek ben en niet kan komen?’
Marietje belooft de boodschap door te geven en hangt op. Ze loopt naar de slaapkamer van haar ouders, maar het bed is leeg. Ze loopt naar beneden. Maar er is niemand thuis. Echt verbaasd is ze niet, want haar ouders zijn altijd al weg als ze 's-morgens door de wekker wordt gewekt.

Ze gaat terug naar de bovenverdieping. Ze wast zich en kleedt zichzelf zoals elke ochtend alleen aan. Daarna maakt ze zoals elke ochtend haar ontbijt klaar en eet het voor de televisie op. Ze kijkt onwillekeurig door het raam van de huiskamer naar buiten. Het sneeuwt. Ze mist het vertrouwde beeld van de oppas die komt aanfietsen. Het maakt haar wat onrustig. Hoe moet ze naar school?

Ze laat het televisieprogramma voor wat het is en loopt naar het raam. De lange oprijlaan is leeg en bedekt met een wit sneeuw tapijt. Ze kijkt naar het logboek dat naast de telefoon ligt. Ze slaat het open en ziet een lijstje met telefoonnummers. Van de dokter, van de apotheek, van de school, van het werk van haar vader en van het werk van haar moeder. Ze belt het nummer van haar moeder. Een telefoniste neemt op.
‘Met Marietje.’ zegt ze met een beleefde stem. ‘Mag ik met mevrouw van Beuningen spreken.’
De telefoniste zegt haar dat mevrouw van Beuningen de hele dag onbereikbaar is.

Dan probeert ze het telefoonnummer van haar vader. Maar ook hem krijgt ze niet aan de telefoon. Nu belt ze het nummer van de school. ‘Dit is de automatische telefoonbeantwoorder van de Friso-basisschool.
'Indien u belt om uw kind af te melden, zeg dan na de pieptoon duidelijk uw naam en geef kort de reden van afwezigheid.’ Er klinkt een piep.

‘Marietje van Beuningen’ zegt ze luid en duidelijk. ‘Ziek’ voegt ze er aan toe en hangt op.
Ze pakt de pen die naast de telefoon ligt en bladert door het logboek. Onder aan de laatste volgeschreven bladzijde schrijft ze in een onduidelijk handschrift: Ik heb jullie gebeld. Ze is ziek. De oppas.

Een flauw winterzonnetje speelt door de kale bomen van de oprijlaan. Het kinderstoeltje staat nog steeds midden op het grote gazon. Marietje loopt zonder jas naar buiten. Het is ijzig koud. Achter haar valt de deur in het slot. Marietje loopt rillend de lange oprijlaan op.

Die avond leest de moeder van Marietje in het logboek. ‘Hé.’ zegt ze tegen haar man die druk bezig is met het invullen van allerlei formulieren. ‘De oppas schrijft dat Marietje ziek is. Heb jij nog naar haar gekeken?’
‘Wat?’ vraagt hij afwezig. 
‘Heb jij nog naar Marietje gekeken?’ herhaalde zijn vrouw.
‘Ik heb even om de hoek van haar slaapkamer gekeken.’ antwoordde hij. ‘Alles was rustig. Het is overal lekker warm.’
‘Dan kunnen we haar beter maar niet storen.’ zucht ze. ‘Morgen zal ik de oppas bellen.’ 

Het is pas op donderdagavond dat het Marietjes vader opvalt dat de wc en de badkamer niet zijn schoongemaakt.
‘Ik zal de oppas bellen.’ belooft zijn vrouw. ‘Ik hoop maar dat ik haar te pakken kan krijgen want ze moet twee keer per dag Marietje naar school brengen en weer ophalen.’

Op vrijdagavond klaagt hij opnieuw over het slechte schoonmaken. 
‘Ik heb de oppas niet kunnen bereiken.’ antwoordt zijn vrouw. 

Op zaterdagmorgen komt Marietje niet naar beneden. Om tien uur gaat Marietjes moeder kijken waar ze blijft. Ze klopt op de deur.
‘Marietje. Opschieten. We gaan vandaag naar het Stedelijk in Amsterdam. We moeten op tijd vertrekken door de sneeuw. We kunnen niet snel rijden. Dus opschieten.’
Maar Marietje verschijnt niet aan de ontbijttafel.

Eindelijk ontdekken haar ouders dat ze niet in haar kamer is. Ze doorzoeken het huis van boven tot onder. Ze bellen de oppas en langzaam dringt de verschrikkelijke waarheid tot hen door. De politie wordt ingeschakeld. Het hoofd van de  basisschool kan niet anders concluderen dan dat ze netjes ziek is gemeld. Maar niemand weet waar Marietje is. Een zoekactie komt op gang, maar Marietje is onvindbaar en blijft onvindbaar.  

Het bezoekje naar het stedelijk Museum is niet doorgegaan. Handenwringend wachten Marietjes ouders op een telefoontje van de politie. Maar de telefoon blijft stil. Ze staren uit het raam naar buiten over de lange witte oprijlaan en naar de sneeuwpop in het midden van het gazon. 

Heeft u soms Marietje gezien?
Ach nee, wat een domme vraag. Natuurlijk heeft u Marietje niet gezien.
Zelfs als ze vlak voor je staat zie je haar niet.

1 april 2001