Het goede voornemen

Sommige dingen kunnen niet gebeuren. En toch maak je ze mee. Nu ik terugdenk aan die oudjaarsavond – precies veertig jaar geleden – dan vraag ik me af of het allemaal echt was of een illusie. Het is geen vage herinnering uit een ver verleden. Het staat me nog scherp voor de geest. Alsof het gisteren is gebeurd.

Ik stond te wachten op het midden-perron van het NS-station in Nijmegen. Om mij heen stonden meer reizigers. Voornamelijk studenten, met tassen en rugzakken, net als ik. Het waren er niet erg veel. Hoewel het windstil was voelde de buitenlucht ijzig koud aan. Het merendeel van de reizigers was gevlucht naar de grote warme wachtkamer. Daar stonden ze opeengepakt te wachten op de aankomst van hun trein. Alleen de die-hards en de rokers stonden buiten. Zij zouden als eerste een zitplek in de treinen veroveren. Hun adem maakte dampende pluimen die samen boven hun hoofd een witte wolk vormden. Een soort menselijke mist die bleef hangen en langzaam dichter en dichter werd. Of was het gewone mist die van alle kanten het perron op dreef, en van mijn medereizigers schimmige gestalten maakte?

De treinen hadden vertraging. Gelaten wachtte iedereen de omroepberichten af. De dikker wordende mist smoorde elk geluid. Het was intens stil. Ik greep in mijn binnenzak naar mijn pakje Marlboro sigaretten en stak er een op. De gelige sigarettenrook mengde zich met de witte waterdampwolk. Ik keek om me heen naar de dikkere worden smog, waarin ik mijn medereizigers steeds minder scherp kon zien. Tot ik me alleen waande omgeven door een dikke gele koude deken. Ik staarde gedachteloos voor me uit. Al een week lang had ik er over nagedacht, mijn goede voornemens. Meer bewegen; minder veel drinken; meer aandacht en tijd voor familie en vrienden; gezonder leven. Maar nu voelde ik me leeg. Het leek of de mist me geestelijk verlamde en ik staarde wezenloos naar het puntje van mijn gloeiende sigaret.

Ineens schrok ik op van een beweging in de mist. Eerst nog vaag, maar steeds scherper en groter zag ik de omtrekken van een rijzige jonge man op me afkomen. Zijn blonde krullen hingen tot op zijn schouders. Hij had felle blauwe ogen en droeg een lange donkerrode jas.
Hij stopte voor me. Er hing een lichtkrans om zijn hoofd. Of was dat het schijnsel van een van de perronlampen? Achter hem staken twee grijze vormen omhoog, die ik niet thuis kon brengen. Hij keek me ernstig aan. Sereen bijna.
Ik nam een grote trek aan mijn sigaret om me een houding te geven. Zijn ogen schoten vuur.
“Wat?” probeerde ik.
Hij opende zijn mond, en ik hoorde een donker en melodieus stemgeluid, dat niet uit zijn mond leek te komen, maar van ver weg.
“Ik ben Rafaël. Ik ben de boodschapper voor de reizigers en breng genezing.”
“Boodschapper?” echode ik verbaasd, want ik verwachtte eerder een omroep bericht via de luidsprekers, dan via een levende persoon. Of was het ’t omroepbericht dat ik daar in de verte had gehoord? En zat er soms een grappenmaker bij de NS achter de microfoon, die de reizigers de stuipen op het lijf wilde jagen?

Maar hier stond hij in levende lijve voor me, met een stralend aureool, en hij sprak opnieuw.
“Stop met roken, want roken is slecht voor je gezondheid.”
Hij strekte een arm naar me uit en pakte de sigaret uit mijn mond. Ik keek gefascineerd naar zijn fonkelende ogen.
“Dat is niet bewezen.” Stamelde ik. In die tijd – veertig jaar geleden – waren de schadelijke effecten van roken niet zo duidelijk als tegenwoordig.
Hij glimlachte voor het eerst.
De mist werd nog dikker en zijn contouren vervaagden en de kleuren vergrijsden. Ik zag nog hoe hij zich omdraaide. Waren dat vleugels die boven zijn schouders uitstaken en tot twee lange witte punten tot aan zijn enkels rijkten? Of waren het mistflarden die mijn zinnen begoochelden?

Er klonk een hemels gonggeluid; en een verre melodieuze stem begon te spreken. “Op spoor drie komt nu binnen de vertraagde ………”
Met veel geraas smoorde de binnenkomende intercity het omroepbericht. Tegelijkertijd kwam rommelend en fel piepend aan de andere kant van het perron een tweede trein tot stilstand. De mist verwoei. Het licht van de treinen verlichtte de naar buiten stromende reizigers, die zich vermengden met de wachtenden op het perron en degenen die uit de wachtkamer kwamen rennen. Ik bleef stil staan te midden van deze kakofonie van geluid en beweging, en speurde het perron af in de richting waarin hij was verdwenen. Ik keek omhoog. De lucht was schoongeveegd. Sterren fonkelden aan het firmament. Er schoot een dunnen witte streep over de hemel. Ik keek naar beneden naar het pakje sigaretten in mijn hand. Even verderop was een reclamebord met de afbeelding van die stoere cowboy die later aan longkanker is gestorven. Een eeuwigheid ging voorbij, tot twee felle fluitsignalen me weer bij de wereld brachten.

De deuren sloten, en de beide treinen verdwenen met toenemende snelheid in tegengestelde richting de nacht in. Het geraas verstomde in de verte. De laatste schuifelende reizigers verdwenen met de trap of de roltrap van het perron.  Het was weer stil. Volkomen stil.
Ik liep naar de wachtkamer en gooide voor ik ging zitten het halfvolle pakje in een prullenbak. Ik staarde naar buiten. Sommige dingen kunnen niet gebeuren. En toch maak je ze mee.

Oudjaar 2014