Een kopje zwarte koffie zonder suiker met een appeltje

Vanavond gaat ze uit eten. Opgetogen, bijna euforisch, over deze volstrekt nieuwe onderneming hangt ze haar stofjas in haar kluisje en gaat ze op weg. Maar onderweg neemt de onzekerheid toe. Haar goede humeur slaat om in tegenzin als ze in de verte, verlicht door de winkeletalages, een groep jongeren voor MacDonalds ziet staan. Ze ziet van een afstand hoe de jongens met hun lawaaierige scooters de doorgang hinderen. De stank van uitlaatgassen vermengt zich met die van frituurvet. Ze kan niet verstaan wat ze roepen naar de passerende bezoekers die onzeker, de groep ontwijkend, naar binnen vluchten. Ze hoort boven het voortdurend aanzwellende motorgeluid het hysterische gelach van de achterop zittende meisjes.

Ze aarzelt. Ze trekt haar regenjas strak om haar dunne lijf. Ze vraagt zich af of ze zal wachten op Reindert en dan samen naar binnen gaan, of dat ze in haar eentje een poging zal wagen om zich langs de jongeren te werken.

Reindert is groot en sterk. Elke dag verorbert hij in de lunchpauze een stapel boterhammen en hij sjouwt altijd de zware dozen met pennen, die zij van de lopende band verzamelt. Achteloos, alsof ze niets wegen, pakt hij de dozen op terwijl hij haar daarbij elke keer aankijkt met zijn grote vriendelijke ogen. Hij zegt niet veel tegen haar en ze durft hem nauwelijks aan te spreken, ook niet als ze met de anderen in de rokerige kantine pauzeert en zij met neergeslagen ogen haar kop zwarte koffie zonder suiker en een appeltje naar binnen werkt.

Ze houdt haar pas in. Hij is vast al binnen want hij is altijd te vroeg, ook op het werk. Dan zit hij te sleutelen aan de machine of aan de lopende band, of hij rijdt rond met de heftruck. Hij groet altijd even als zij haar plaats inneemt, en lacht dan naar haar. Daarna begint de lopende band te stampen en moet ze, om niet achterop te raken, al haar aandacht op de toestromende pennen richten.

De straatverlichting springt aan en geeft de ongelijk verlichte straat plotseling een vriendelijke aanblik. Ze zet zich in beweging en loopt zonder haar blik op de jongeren te richten naar de ingang.
'Hé breinaald’ roept een van de meiden. Ze wil doorlopen maar twee scooters versperren de weg.
'Laat me door.’ fluistert ze onverstaanbaar.
'Wat zeg je schoonheid.’ spot één van de jongens die op een scooter zit en het gas volledig open draait.
'Laat me door.’ smeekt ze in een wolk van uitlaatgassen. Ze probeert te vluchten maar ze versperren nu van alle kanten de doorgang. Ze kijkt schichtig om haar heen. Waar blijft Reindert?

Niet lang nadat hij bij haar op de fabriek was komen werken had hij haar plaaggeesten met een enkel woord en een dwingende blik het zwijgen opgelegd. Hij zal haar nu ook beschermen. Hij had haar tenslotte uitgevraagd. Hij zal haar veilig naar binnen leiden en vragen wat hij voor haar kan bestellen.

Een van de jongeren geeft haar een zetje waardoor ze tegen een ander aanbotst.
'Wat mot je?’ dreigt deze.
'Laat me er door.’ spreekt ze hees.
'Waarom zou ik?’ antwoordt de jongen ruw. De meiden lachen met schrille stemmen.

Plotseling valt met een harde klap één van de scooters om.
De jongen roept 'hé wat moet dat?’ De meiden schreeuwen. Maar het geraas verstomt als ze de machtige gestalte van Reindert gewaar worden.
'Laat die dame even door.’ spreekt hij met kalme stem.
Eerbiedig deinzen de jongeren naar achteren. Met een zucht van verlichting bevrijdt ze zich uit de kring en werpt zich in zijn armen. 'Oh Reindert.’ zucht ze.
Hij streelt haar haren en zegt 'ach meiske.’

Haar angst is nu op slag verdwenen. Bijna dankbaar kijkt ze naar de jongeren en dan naar Reindert die haar arm pakt en haar naar binnen leidt. Zo had ze het zich voorgesteld. Zo zal het van nu af aan altijd zijn. Vanaf nu heeft haar leven definitief een andere wending genomen. Ze loopt op wolken.
Ze stoppen bij een tafeltje. 'Janine.’ spreekt hij plechtig.
'Ja?’ antwoordt ze verwachtingsvol.
'Mag ik je voorstellen: mijn vrouw en kinderen.’

Ze volgt zijn wijzende hand. Het restaurant verandert in een geluidloze draaikolk. Ze hoort niet meer de namen die hij één voor één noemt. Ze voelt niet meer de handen die ze schut. Ze ziet hem wijzen op een stoel en gaat verdwaasd zitten. Ze ziet zijn lippen bewegen, zijn gezicht staat vragend. Langzaam komt ze tot zichzelf en antwoordt bedeesd 'een kop zwarte koffie zonder suiker en een appeltje graag’.

31 oktober 2000