Een dagje aan het strand

Fluitend fietste Joris over de polderweg. Zijn werphengel zat in drie stukken aan de stang van zijn fiets gebonden. Achterop zijn bagagedrager had hij met een spinsnelbinder een emmer vastgezet met daarin aas en vistuig. Voor dag en dauw was hij uit Middelburg vertrokken om zo vroeg mogelijk op het strand te kunnen zijn en te genieten van de rust en de stilte. Er was geen mens op de weg. In de verte zag hij de eerste huizen van Domburg die voorzichtig werden beschenen door de ochtend zonnestralen die ook de rest van het stadje in een zachtroze gloed zette. Het beloofde een mooie dag te worden. 'Dat wordt genieten'. dacht Joris. 'Zeker de eerste uurtjes als het strand nog verlaten is'. Hij rook de zee al. Hij fietste door de stille straten. Bij het strand stalde hij zijn fiets. Het was eb en het strand was breed en verlaten. In de verte krijsten meeuwen. Hij sjokte met zijn visuitrusting over het stenen pad langs de duinrand. Dan een stukje door het mulle zand tot voorbij het strandpaviljoen. Daar liep hij naar de zee tot aan de bruisende branding. Even later wierp hij voor de eerste keer in, prikte zijn werphengel in het natte zand en tuurde over de zee met zijn eindeloze schakeringen blauw die bij de horizon nauwelijks merkbaar overgingen in het blauw van de ochtendhemel. Hij kwam hier vaak. De meeuwen hadden zijn gedrongen gestalte in spijkerbroek, vale trui, gebruinde kop en verwarde blonde haren al herkend en kwamen krijsend aanvliegen. Joris kon het nooit laten om wat aas naar hen te gooien en geamuseerd toe te kijken hoe de meeuwen er vechtend en schreeuwend achteraan doken. 

Plotseling werd zijn aandacht getrokken door een bruinig voorwerp dat een klein eindje verderop telkens even boven het water uitkwam als de golven zich terugtrokken. Hij drukte zijn hengel dieper in het zand en liep er naar toe. Hij kon niet goed zien wat het was. Nieuwsgierig trok hij zijn gympen uit, rolde zijn broekspijpen op en stapte door de lage branding. Hij voelde. Het was verroest metaal. Net onder water zag hij een groot handvat. Hij trok. Maar er kwam geen beweging in. Nogmaals trok hij. Even bewoog het voorwerp. Hij ging er beter voor staan, tastte in het water en voelde nog een handvat. Nu trok hij met twee handen en het voorwerp schoof een beetje naar hem toe. Uit alle macht trok hij nogmaals en slaagde erin het voorwerp een halve meter in de richting van het strand te trekken. Hij kon nog steeds niet goed zien wat het was. Een metalen kist? Nogmaals trok hij, en weer, tot hij eindelijk de kist uit de branding had. Nu zag hij dat het een zware, met metaal beklede, reiskoffer was. 'Die moet zeker van een schip zijn afgevallen' bedacht Joris en een opgewonden gevoel kwam over hem heen bij de gedachte welke schatten hij in de koffer zou kunnen aantreffen. Hij wrikte aan de zware sloten maar er was geen beweging in te krijgen. Hij keek op zijn horloge. Zeven uur. Elk ogenblik kon Arend, de beheerder van het strandpaviljoen, komen en daarna de eerste strandbezoekers. Hij dacht na. Zou hij de koffer hier ingraven en later terugkomen? Dat zou nog net kunnen voor Arend arriveerde. Maar de vloed..... De wassende zee zou de koffer met gemak loswoelen en voor iedereen zichtbaar maken, of juist begraven onder een meter zand zodat hij hem nooit meer terug zou kunnen vinden. Hij bedacht zich dat Arend een jeep had. Hij zuchtte. Hij haalde zijn werphengel op, wierp weer in en ging op de koffer zitten en wachtte berustend af. Voor de vissen en de meeuwen had hij geen aandacht meer. Met zijn rug naar de zee tuurde hij in de richting van Domburg tot eindelijk in de verte de jeep van Arend verscheen.

Hij zwaaide en Arend stuurde zijn jeep naar de kustlijn. 'Dag Joris' groette hij hartelijk. 'Wat heb jij daar.'
'Lag in de branding.' antwoordde Joris met tegenzin. 'Je moet me helpen het te verslepen vóór de toeristen komen.'
Arend sprong uit de jeep en inspecteerde de koffer. Hij probeerde het gevaarte tevergeefs te bewegen. Hij lachte binnensmonds en knikte. 'Je wilt het verbergen en het op een rustig ogenblik openbreken!'
Joris knikte. 'Als de gemeente het te weten komt krijg ik maar tien procent van de waarde.....'
Arend lachte weer binnensmonds. 'Samen delen?'
Joris zuchtte. 'OK.' maar wel opschieten.

Arend had geen aansporing meer nodig. Hij haalde een kabel uit zijn jeep, bond die aan de twee handvaten en aan de trekhaak. Langzaam bracht hij de brullende jeep in beweging en stapvoets sleepte hij de koffer over het strand in de richting van het strandpaviljoen. Joris liep er achter aan en wiste het spoor zo goed en zo kwaad als het ging. Ze waren het paviljoen tot op vijftig meter aan de zijkant genaderd toen er plotseling een scherpe knal klonk, gevolgd door nog een knal. De koffer lag stil. Arend stopte en sprong uit de jeep. Joris bekeek de koffer. De handvaten hadden het begeven. 'Nu krijgen we hem nooit meer op tijd in veiligheid.' mompelde Joris en speurde het strand af, maar er was nog niemand te zien. Arend gooide de handvaten in de jeep. 'De kabel is te kort om eromheen te slaan. We moeten hem hier begraven.' Joris knikte. 'Er zit niets anders op.' 
Arend haalde twee scheppen en haastig gingen ze aan het werk. Binnen een kwartier konden ze de koffer in de kuil laten zakken en even later was er niets meer van te zien. Joris trok met een hark droog zand over de kuil en wiste de laatste sporen terwijl Arend de jeep naast het paviljoen parkeerde. 

Ze zegen neer op het zonneterras en Arend schonk twee glazen fris in. 'Op de inhoud!' 
Joris goot de koele drank in zijn verhitte lijf. 
Arend deed de radio aan. Er klonken zes korte piepjes 'Dit is het ANP-nieuws van acht uur.' klonk de sonore stem van de nieuwslezer.
'Afgelopen nacht heeft de kustwacht ter hoogte van Westkapelle in volle zee vier opvarenden van een luxueus jacht gearresteerd. De gearresteerde bemanning wordt verdacht van diamant-smokkel. Vlak voor de politie aan boord ging wisten de smokkelaars een kist over boord te zetten. Vanmorgen is de kustwacht in alle vroegte bij Vlissingen begonnen met een zoekactie. Een cameraploeg van de NOS is naar Zeeland afgereisd om de gebeurtenissen van dichtbij te volgen'
Joris en Arend keken elkaar aan. Met trillende hand schakelde Arend de radio uit. 'Denk jij wat ik denk?' vroeg hij aan de sprakeloze Joris.
'Wat nu?' bracht Joris er eindelijk met moeite uit. 
Arend dacht na. 'Niks.' zei hij toen. 'Ga maar weer vissen. Zolang het nog niet te druk is hier kan ik wel een oogje in het zeil houden. Daarna moet jij het van me overnemen.'
Joris was zijn werphengel helemaal vergeten. hij vloekte. 'Verdomme. Het is vloed geworden.' Hij stond op en liep naar de kustlijn. Hij had geluk. De hengel stond nog rechtop terwijl de branding eromheen spoelde.

Van rustig vissen kwam het niet meer. Voortdurend keek hij achterom naar de plaats waar de koffer lag begraven. Hij wist dat het een geliefd plekje was. In de luwte van de duinen en niet te ver van het paviljoen. De eerste bezoekers liepen langs. Altijd verschenen de wandelaars het eerst. Hij wist dat hij daarvan het minste last zou hebben. Die hadden nog een flink stuk voor de boeg naar Vlissingen, of de andere kant op naar Veere. Even over negenen zag hij de eerste zonaanbidders op het strand plaats nemen. De vloed maakte langzaam het strand kleiner. Ze zouden allemaal dicht bij de duinrand gaan zitten. Misschien moest hij Arend vragen om de jeep boven de koffer te plaatsen. Maar hij wist dat Arend zuinig was op zijn jeep en hem altijd dicht naast het paviljoen parkeerde. Hij probeerde zijn aandacht bij zijn vislijn te houden maar hij hield er zijn aandacht niet bij. Hij vergat aas aan de haak te doen. Belangstellende vragen van voorbijgangers negeerde hij met stuurse zwijgzaamheid. Zo kroop de tijd voorbij. De zon kwam hoger en hoger en het werd langzaam warmer. Hij schoof met de vloed mee in de richting van het paviljoen. 
Nu kwamen de gezinnen op het strand. Vooral de vaders en de kinderen met hun schepjes bekeek hij met achterdocht. Maar ze concentreerde hun graafwerk vooralsnog aan de waterlijn. De eerste felgekleurde strandvliegers gingen de lucht in. Ze zouden de hele dag in de strakblauwe lucht blijven staan. Arend kreeg het druk nu. Af en toe zwaaide hij vanuit het zonneterras voor hij met een dienblad lege glazen naar binnen liep. En toen gebeurde wat Joris wist dat onvermijdelijk was. Een oude dikke man plaatste moeizaam zijn strandstoel op nog geen drie meter afstand van de plaats waar de koffer lag. Hij miste de onderste helft van één been. Joris had hem vanuit zijn ooghoek met zijn krukken en zijn strandspullen zien naderen. Nadat de dikzak zijn spullen onder zijn parasol had uitgestald kroop hij op zijn knieën rond en wierp een lage zanddijk op waarmee hij een flink territorium afbakende. Op elke hoek van de vierkante zanddijk plaatste hij een klein zwart-rood-geel vlaggetje. Daarna plofte hij in zijn strandstoel en zetten een monsterlijk petje op. 

Hoewel de koffer nu binnen het territorium van de dikzak lag en dus beschermd was tegen gravende kinderen en ouders wist Joris dat moeilijkheden nu niet meer uit konden blijven. Hij haalde de vislijn binnen en borg de werphengel in drie stukken in de beschermhoes. Hij liep in de richting van het strandpaviljoen en stapte over de zanddijk 'Bitte umlaufen.' knorde de dikzak. Joris wist genoeg. Hij liep naar binnen en sprak tegen Arend die juist de eerste pilsjes begon te tappen. 'We krijgen moeilijkheden.' Arend knikte. 'Ik heb het ook gezien: zon, vloed en territoriumdrift. Maar ik kan hier niet weg. Laten we er het beste van hopen.'
'Ik ga in de buurt zitten.' sprak Joris 'Kan ik een strandstoel en een parasol van je lenen?'
Arend knikte. 'Voor vijf gulden. Het is druk en ik kan alles verhuren.'
'Krent.' mompelde Joris en hij telde vijf guldens op de tapkast neer. 

Arend had gelijk. Het strand stroomde vol en de vloed drong iedereen samen op de steeds smallere strook zand tussen de duinen en de vloedlijn. Het rook naar zonnebrandolie. Joris plaatste zijn parasol en strandstoel net naast de zanddijk van de dikzak die als een heerser van onder zijn parasol zijn lege koninkrijk van negen bij negen meter overzag. Een jongen en een meisje van een jaar of achttien ploften aan de verkeerde zijde van de zanddijk neer. 'Hier is ruimte zat.' sprak het meisje en begon een groot windscherm uit te rollen. 'Bitte an die andere Seite.' bralde de dikzak en stak dreigend een kruk in de lucht. Onverstoorbaar plaatste het tweetal het windscherm vlak voor Joris, en dwars over de zanddijk. De dikzak begon te tieren en te schelden. Moeizaam kwam hij uit zijn strandstoel overeind en hopte dreigen op de indringers af. Koelbloedig pakte de jongen één van de krukken aan de onderkant beet en dirigeerde de rood aanlopende dikzak hinkend achteruit tot hij met een luide plof al scheldend in zijn strandstoel terug viel. Twee andere indringers namen schaamteloos bezit van een stuk van zijn territorium. Weer werkte hij zich tierend op uit zijn stoel. Maar toen de nieuwe indringer een ogenblik achteloos zijn opgepompte zongebruinde spiermassa's liet rollen hield hij wijselijk zijn mond en zakte grommend en grauwend terug in zijn stoel. Joris keek toe hoe de al even bruine vriendin van de spierbal haar bovenkleding uitdeed en in haar minuscule bikini twee stretchers neerzette net voor de plaats waar de koffer lag begraven. Een ogenblik later was het koninkrijk van de dikzak volledig veroverd. Een jongetje bracht hem de vlaggetjes. Het windscherm ontnam Joris het uitzicht op de zee en hij schoof en stukje op. 'Alles onder controle.' mompelde hij. Maar hij voelde zich ongelukkig en niet op zijn plaats in zijn spijkerbroek en vest, met overal om hem heen blote glimmende lijven en gepraat en gelach dat het ruisen van de branding overstemde. 

De tijd leek stil te staan. Boven de stukken zand die nog niet waren bezet trilde de warme lucht. Hij keek naar het tweetal bij het windscherm. Het meisje keek terug. 'Niet doen René.' ze duwde de jongen van zich af. 'Niet hier, ben je gek. Iedereen ziet ons.'
'Niemand kijkt.' sputterde René. 
'Oh nee?' vroeg het meisje uitdagend. Wil je dan nu even opstaan en een ijsje halen bij het strandpaviljoen?' 
Joris zag René even onwillekeurig naar zijn zwembroek kijken en een nog roder hoofd krijgen dan hij al had. Het meisje wierp een kwade blik opzij en Joris verplaatste glimlachend zijn blik naar de spierbal en zijn mooie vriendin die om het kwartier hun lichaam een halve slag draaiden. Maar de spierbal had er blijkbaar genoeg van want hij stond op en vouwde de parasol uit, en met een machtige zwaai plantte hij de steel in het zand. Er klonk een diepe doffe klap. 'Hé.' hoorde Joris hem zeggen. 'Wat is dat?' 

De maag van Joris kromp ineen. Hij veerde overeind. Maar het was al te laat. De spierbal was onder het roepen van luide kreten van verbazing begonnen met graven. Het duurde niet lang of hij had de bovenkant van de metalen koffer vrijgemaakt. 
'Die heb ik daar begraven.' probeerde hij onzeker. 
De spierbal keek hem even meewarig aan. 'Das hier ist meines Gebiet.' probeerde de aangehinkte dikzak en hij wees naar de zanddijk. 'Der Herr hat nichts damit zu tun' en hij wees met zijn kruk naar Joris. 'Wij waren hier eerder dan jullie allemaal.' sprak het meisje. Ze gaf Joris een zet. Nog meer nieuwsgierig strandvolk kwam kijken. 'Ga weg vieze gluurder.' sprak het meisje. Joris zag de dreigende blikken. Een gevoel van paniek overviel hem. Hij draaide zich om en rende naar het paviljoen.

'Arend.' riep hij, 'Het loopt uit de hand.'  
'Ik kan niet weg.' antwoordde Arend berustend. 'De klanten... ik kan niets doen.... het is veel te druk... tot vanavond laat heb ik klanten.' 
Op het strand waren de gemoederen inmiddels danig verhit geraakt. Er werd geschreeuwd, geduwd en getrokken. Het werd een heuse oploop. 'Ik bel de politie.' riep Joris radeloos. Arend haalde zijn schouders op en balanceerde met een dienblad vol glazen bier naar buiten. 

Nog geen vijf minuten later verscheen de terreinauto van de politie ten tonele. Dat was geen moment te laat want de eerste klappen waren gevallen. Joris keek met smart vanuit de nieuwsgierige menigte toe hoe  dranghekken om de nog half ingegraven koffer werden geplaatst.  Even later verscheen de cameraploeg die de zoekactie van de kustwacht had gevolgd. De spierbal en zijn mooie vriendin werden uitgebreid geïnterviewd. 

Joris kon het niet meer aanzien. Hij pakte zijn spullen bij elkaar en sloop weg. Hij sjokte door het mulle zand naar zijn fiets. Langzaam reed hij door de straten van Domburg. Daarna over het fietspad langs de provinciale weg door de polder tot hij eindelijk aan het einde van de middag Middelburg bereikte.
Thuisgekomen bakte hij eieren en haalde een halve literfles bier uit de koelkast. Daarna ging hij met zijn bord op zijn schoot voor de tv zitten om het journaal van zes uur te bekijken. Het hele verhaal dat hij van dichtbij had meegemaakt werd uitgebreid uit de doeken gedaan. De spierbal en zijn vriendin waren de helden van de dag. Onder het wakend oog van de camera brak de politie de koffer open. Eén voor één haalde een agent de bakstenen uit de koffer tot er niets meer inzat. De binnenkant werd minutieus doorzocht, maar de koffer, zo vertelde de nieuwslezer, bevatte geen spoor van diamanten. Joris zuchtte diep. Niemand had hem zijn diamanten afgenomen. Op slag verbeterde zijn humeur en met een glimlach dacht hij aan de gebeurtenissen van de afgelopen stranddag. De reportage op het nieuws werd afgesloten met een interview met de commandant van de strandwacht. 'Ze zijn ons te vlug afgeweest.' sprak de man. 'waarschijnlijk hebben compagnons van de arrestanten vanmorgen vroeg de koffer op het strand begraven om het bewijsmateriaal te verbergen. Uit het onderzoek van de technische recherche is gebleken dat de twee handvaten van de kist recentelijk met geweld er vanaf zijn gesloopt. We vermoeden dat de diamanten daarin hebben gezeten.'

Joris hart sloeg driemaal over. 'Wat?!” schreeuwde hij. Hij rende naar de telefoon. Hij draaide het nummer van het strandpaviljoen in Domburg. De telefoon ging eindeloos over maar Arend nam niet op. Verslagen zakte Joris op zijn stoel terug terwijl de nieuwslezer de Kosovo crisis behandelde. Zijn hoofd zakte in zijn handen, en zo bleef hij de rest van de avond zitten. 

22 maart 2001