Droom van vrijheid

Jij hebt zoveel vrienden, zoveel geliefden. Soms vertel je over de avonturen die je meemaakt. Dan is het stil in het café aan de gracht waar we vaak met z'n allen na het werk neerstrijken. We luisteren gretig naar wat jij meemaakt omdat wij in stilte hetzelfde zouden willen doen als jij. Terwijl de zomeravond valt, de lampen in het café worden ontstoken, spreek je over vrijheid:
"Ik bind me aan niemand".
Niet hooghartig, niet om te overtuigen maar gewoon om vast te stellen.
Je moet lachen als wij zeggen dat ook jij verloren zal zijn als je een keer verliefd wordt op iemand die net als jij zijn vrijheid wil behouden. Dan wil ook jij niets liever dan je vrijheid ruilen voor die van hem. Je kijkt ons aan met een scheve lach en schudt je hoofd.
"Het gaat over." verzeker je. "De liefde gaat over, alleen vriendschap telt. Tot aan de dood".
We geven je in onze harten gelijk. Tegelijk weten we dat het bij ons niet klopt alleen bij jou klopt het. Jij bent vrij. Waarom staat liefde de vriendschap in de weg? We lachen onze verlegenheid weg en we vieren tot diep in de nacht het feest van de vriendschap.

Ik kan je niet meer helder voor de geest halen, hoezeer ik het ook probeer. Alleen als ik droom zie ik je gezicht zoals ik het heb gekend. Het is dan alsof ik naar een film kijk. Je bruine ogen waarin een schittering blinkt. Je vriendelijke gezicht waarin nog vaag de trekken van een Aziatische voorouder zijn te herkennen. Je blonde haren. Je lach. Je ogen, maar vooral je lach.
"Wil je wat voor me doen?" Vraag je, nadat je een tijdje als een kat die warmte zoekt tegen me aan hebt gelegen.
Je weet dat ik je niets meer zal weigeren. Nu al voel ik de leegte die gaat komen als ik wegga om je wens te vervullen. Je weet dat ik het zal doen en je maakt misbruik van je macht over mij. Ik geef je snel een kus. Achterdochtig kijk je me aan want zelfs nu de ziekte je langzaam verteert waak je over je vrijheid.
"Ter afscheid." lieg ik verontschuldigend en als bewijs maak ik me van je los. 

Zal ik je weer terugvinden op deze zolderkamer als ik je spullen heb weggebracht? Ik weet niet hoe ik hier ben gekomen. Hoe vind ik de weg terug in dit grote donkere pakhuis waar alle sombere trappen en gangen op elkaar lijken? Hoe vind ik de nauwe smalle steeg terug waarin dit huis is verborgen? In al die jaren dat ik je ken had je me nooit eerder uitgenodigd. Is dit het einde van onze vriendschap? 

Langzaam daal ik de trappen af. De benedenverdieping is een immense werkplaats vol met rommel. Je vriendin staat geduldig bij de deur te wachten. Als iemand me zou vragen om haar te beschrijven zou ik feilloos haar beeld kunnen schetsen, ook als ik waak. Haar grote gestalte en rood geverfde korte haren. Haar scherpe neus, haar grijze ogen. Maar jij bent nu zelfs in mijn droom aan me ontglipt. Wat over blijft is de herinnering aan  je ogen en je lach, vooral je lach en een vaag gevoel van je aanwezigheid die ik nu al weer mis.

Ze wijst naar de fotopanelen langs de wand en naar een tas vol ondefinieerbare spullen.
‘Ik heb alleen een fiets.’ mompel ik. 
‘Zal ik helpen; zal ik met je meegaan?’ vraagt ze veel te bereidwillig.
Maar ik ben waakzaam en aan mijn vrijheid gehecht. Met de fotopanelen op mijn fiets en de fiets aan de hand en de tas op mijn rug spoed ik me de donkere nauwe steeg uit, de zonovergoten hoofdweg op. 

Ik ben je kwijt. 

Ik werk met mensen die niet waken over hun vrijheid maar slechts bezorgd zijn over hun huis en bezit. Ze zijn de liefde vergeten en de vriendschap is ingedut tot de dood ze verlost. Het pakhuis aan de donkere steeg is leeg. Het café aan de gracht is verlaten ook al drinken we er af en toe na het werk nog samen kort een drankje. Soms zie ik nog een flikkering in hun ogen? Ik durf niet te vragen waarom. Denken ze wat ik denk? Daar fietst buiten een jonge vrouw met korte rood geverfde haren voorbij. Is het je vriendin?

Je hield woord. De liefde gaat over, alleen vriendschap telt. Tot aan de dood.

17 maart 2001