De nieuwe eigenaar

Met een langgerekte kraak ging de buitendeur open. Een ijskoude windvlaag drong door de rode tochtgordijnen het warme lokaal binnen. Buiten was het donker. Een man stak zijn kale hoofd tussen de gordijnen naar binnen zonder de deur achter zich dicht te trekken en zonder aandacht te schenken aan de kreten ‘deur dicht’. De ballen in de prachtig opgesierde kolossale kerstboom rinkelden en de rode crêpepapieren kerstklokken wapperden aan het plafond. Zo bleef hij veel te lang staan en kwam pas weer in beweging nadat hij iedereen in de ruimte aandachtig in zich had opgenomen. Klaas en Albert hadden met een sombere blik op hun doorgroefde koppen hun kaarten op tafel neergelegd. Sofie en Marie hielden de kaarten tegen hun borst, gaven elkaar een blik van verstandhouding en volgden hoe de man  trekkend met zijn rechterbeen naar de toog liep. Een grote zwarte linnen tas hing op zijn rug. Achter zich aan sleepte hij een rode koffer op snerpende, piepende wieltjes. Berend, keurig in het pak, staarde met diepe rimpels in zijn voorhoofd vanachter de tapkast naar het spoor dat de wieltjes over de glanzend geboende houten vloer trokken, tot de dikke buik van de man hem het uitzicht benam. Hij verplaatste zijn blik naar boven en keek de nieuwe bezoeker recht in de ogen aan. Zo stonden ze zonder een woord te spreken tegenover elkaar. De radio jengelde op de achtergrond. Rook kringelde omhoog vanaf de asbak op de tafel van de vier feestelijk geklede kaarters. Langzaam hief de bezoeker zijn hand omhoog en liet die met een harde klap op de drukbel vallen die voor hem op de toog stond. Ting, klonk het doordringend. De grijsaard die naast de ouderwetse haard zat schrok wakker en kreeg een hoestbui. De grote hond die aan de andere kant van de haard op een oude opgevouwen deken lag hief zijn kop op, gromde even, blafte en zeeg weer neer. Alleen het jonge stel aan de tafel in de hoek had slechts oog voor elkaar. 
‘Meneer wenst?’ vroeg Berend met de voorkomendheid van een ober uit een vier sterrenhotel. 
‘Een kamer met uitzicht op het marktplein.’ antwoordde hij en veegde de lange blonde haren die aan één kant van zijn hoofd naar beneden hingen met een achteloze beweging over zijn kale kop. Berend wilde zijn mond open doen. Maar de man vervolgde nadrukkelijk, ‘Dit is toch café-pension Marktzicht?’
‘De kamer is gereserveerd.’ bromde Berend. ‘Voor de eigenaar......’ voegde hij er met nadruk aan toe. Hij wees op de anderen. ‘Je kunt niet in het café blijven want op kerstavond zijn we vanaf tien uur ‘gesloten, behalve voor genodigden.’ 
De man maakte geen aanstalten om te vertrekken. In plaats daarvan ritste hij zijn lange flodderige jas open, pakte de revers van zijn colbertje en sprak met nadruk, ‘Ik ben de nieuwe eigenaar.’ 
Hij wees met zijn duim op zichzelf. ‘Hubert de Vries.’
Berend werd bij het horen van deze woorden bleek rond de neus. 
‘Een nieuwe eigenaar?’ fluisterde Sofie net iets te hard met een diepe frons op haar voorhoofd.
Hubert draaide zich langzaam met zijn dikke buik die uit zijn jas stak naar haar toe. ‘De nieuwe eigenaar. Ja!’
Hij draaide zich weer naar Berend en vervolgde met scherpe stem, ‘Nou, komt er nog wat van. Wijs me mijn kamer.’
- ‘De kamer is nog niet klaar. Hij zou pas morgenochtend komen.....’ sprak Berend nauwelijks hoorbaar.
‘Maar ik ben er nu al. Waar wacht je nog op.’ beet Hubert hem toe.
Berend keek even naar de oude man naast de haard, schonk een jonge jenever in en sprak onbewogen, ‘Ik moet eerst deze bestelling....’ Hij maakte aanstalten om de jenever op te pakken maar Hubert was hem voor. Met één slok sloeg hij de inhoud van het glas achterover en veegde met zijn andere hand zijn haren terug over zijn kale kop.
‘Zet maar op de rekening.’ grijnsde hij. Hij plaatste het lege glas met een klap op de tapkast terug en wees naar het plafond. ‘En nu naar boven.’

Berend haalde zijn brede schouders op en verdween naar boven. Hubert liet de zwarte linnen tas van zijn schouder glijden en met een klap op de grond vallen. Hij bukte zich en ritste hem open zonder acht te slaan op de blikken van de anderen. Schijnbaar doelloos wroette hij met zijn hand door de inhoud.
Sofie legde haar kaarten neer, frunnikte wat aan haar hoog opgestoken blonde haren, stond op en wankelde op haar hoge hakken en te nauwe zwarte glitterrok naar de toog.
Ze kuchte. Maar Hubert zocht onverstoorbaar verder. Ze kuchte nogmaals. 
‘Aha.’ mompelde Hubert. Hij viste een zwart mapje uit de tas hij klapte het open, pakte een bril eruit en legde het mapje terug in de tas. Nog half voorovergebogen zette hij de bril op zijn neus en kwam langzaam overeind terwijl zijn blik van de hoge hakken tot haar hoofd over Sofie gleed. 
‘Blijft u hier de kerstdagen?’ vroeg Sofie met een lichte trilling in haar stem. Hij antwoordde niet maar bleef haar aanstaren. Sofie lachte met een schrille stem. ‘Wij wel.’ Ze keek even om naar haar tafelgenoten die nauwlettend het gesprek volgden.  ‘We komen elk jaar. Het is een soort traditie. Ook Walter is er altijd bij.’ ze wees naar de grijsaard naast de haard die weer was ingedommeld en af en toe even snurkte. ‘Hij woont hier op kamers. Net als Joachim.’ Ze wees naar het stel. Maar Hubert bleef haar aanstaren. ‘En z'n vriendin.’ Het gezicht van Sofie begon te kleuren. ‘Het is altijd heel gezellig. Als om half twaalf de klokken van de kerk gaan luiden voor de nachtmis, dan steken we kaarsen in de kerstboom aan en doen we de elektrische kaarsjes en de lichten uit. Dan gaan we rond de kerstboom zitten en zingen we kerstliederen en geven we elkaar cadeautjes. Dat is veel leuker dan cadeautjes geven met Sint Nicolaas. Vindt u ook niet? 
Hubert de Vries gaf geen antwoord maar bleef haar aankijken. 
‘Dan blijven we hier allemaal slapen.’ vervolgde Sofie met enige aarzeling, ‘En eerste kerstdag komt mijn broer Teun altijd langs met cadeaus voor ons allemaal.’
‘Ik heb geen cadeaus bij me!’ onderbrak Hubert haar. En Teun komt dit jaar niet want ik ben nu de eigenaar. Ik ben gekomen!’
‘Komt Teun niet?’ herhaalde Sofie sip. ‘Ik wist niet dat Teun het café wilde verkopen. Waarom komt hij niet? Hij komt elk jaar!’ 
‘Nee.’ bevestigde Hubert. ‘Teun komt niet. Hij heeft hier niets meer te zoeken. Hij hoeft zijn eigendom niet meer te inspecteren want hij is geen eigenaar meer. Dat ben ik. Hij begreep dat hij niet meer hoefde te komen toen ik hem vertelde dat ik vandaag hier op bezoek zou gaan.’

Joachim had het gesprek gevolgd en was opgestaan. Hij veegde een pluisje van de mouw van zijn strak gesneden colbertje, veegde over zijn fluwelen broek en kwam naderbij. ‘Komt oom Teun niet?!’
‘Hij is je oom niet.’ sprak Hubert zonder naar Joachim te kijken.
‘Hij is mijn oom wel, hoe kan jij dat weten?’ vroeg Joachim. ‘Ik ken jou helemaal niet.’
Nu draaide Hubert zijn hoofd naar hem toe.
‘Jij kent mij niet, maar ik ken jou wel!’ sprak hij fijntjes. ‘Teun heeft me over jou verteld. Zal ik eens zeggen wat jij bent? Een nietsnut, een klaploper. Een ventje met mooie kleren en mooie praatjes dat alleen maar achter de vrouwen aanzit. Berend had jou er allang uit moeten gooien, en je kamer aan een ander verhuren. Door jou kon hij de huur niet meer aan Teun betalen. Door jou heeft Teun besloten dit pand te verkopen.’
Even wist Joachim niets te zeggen. Dan glimlachte hij. ‘Waar maak jij je druk om? Jij heb daar kennelijk van kunnen profiteren.....’ 
Hubert glimlachte terug. ‘Vanaf nu ga jij je huur stipt op tijd betalen. We beginnen met de zes maanden achterstallig huur. Binnen een week betalen.... of anders....’ Hij wachtte een ogenblik en voegde er dan met donkere stem aan toe ‘......vlieg je eruit.’ 
Joachim lachte schril en keek naar Sofie alsof hij steun bij haar zocht. Maar Sofie kon slechts met grote ogen naar Hubert staren. Die prikte met zijn vinger in de borst van Joachim. ‘Binnen een week betalen of anders wegwezen.’ herhaalde hij kalm. ‘En Teun is jouw oom niet.’ voegde hij er met een bijna treiterende stem aan toe. 
Joachim deinsde achteruit. Met een bleek gezicht draaide hij zich om en ging zonder een woord te zeggen bij zijn vriendin zitten, die het gesprek van een afstand had gevolgd. Ze sloeg een beschermende arm om hem heen en boog naar hem toe om hem te kussen. Maar Joachim maakte zich bijna ruw van haar los. Vanuit zijn ooghoek volgde hij hoe Hubert zich met een voldane glimlach tot Sofie wendde. 
‘Zo, daar zal dat schorem van leren.’ sprak hij meer tot zichzelf dan tot haar. ‘Zeker geen opvoeding gehad!’ 

Sofie kreeg een hoogrode kleur. 
Hij grijnsde haar aan. ‘In ieder geval een slechte opvoeding. Het is een lapschwans.’
- ‘Het is een lieve jongen. en hij is degelijk opgevoed.’ barste Sofie plotseling uit.
‘Ah.’ grinnikte Hubert. ‘Je kent de moeder?’
‘Ik heb hem opgevoed, alsof het mijn eigen zoon was.’ spuugde Sofie eruit. ‘En als er een is die nog moet worden opgevoed dan ben jij het!’
Met een woeste beweging draaide ze zich om en vergat dat ze hoge naaldhakken aanhad. Er klonk een droge knak. Haar rechter hak brak. Ze zwikte door haar enkel, viel op haar zij en huilde van de pijn. 
Hubert schoot in een onbedaarlijke lach. 
Klaas en Albert kwamen langzaam van hun plaats en trokken samen Sofie overeind. ‘Dat zal ik je betaald zetten.’ foeterde Sofie die tussen de wankelende Klaas en Albert in hing. 

Hubert stond te hikken van de lach en sloeg van plezier met zijn vlakke hand op de bel op de toog. Ting, Ting, klonk het doordringend.
De oude Walter schrok overeind ‘He, he? Wat is er. Wat is er?’ 
‘Niks Walter.’ lachte Hubert. ‘Slaap maar lekker door. Niks aan de hand. Sofietje brak alleen maar een hak van haar schoen.’
Walter zakte gerustgesteld weer terug in zijn stoel en dommelde het volgende ogenblik weer verder.
Berend kwam met een vragende blik te voorschijn. ‘Wa-t-isser.’ vroeg hij aan Hubert die nog na stond te hikken.
‘Dat kan ik beter aan jouw vragen!’ antwoordde Hubert. ‘Is die kamer nog niet klaar.’
‘Hij is klaar.’ bevestigde Berend. ‘Hij haakte een sleutel van het sleutelbord achter hem en overhandigde die aan Hubert.’
Hubert bleef hem glimlachend aankijken. . 
‘Is er nog wat?’ vroeg Berend onzeker.
Hubert wees op de grote zwarte linnen tas en de koffer op wieltjes en zei ‘Draag die maar naar boven.’
Hubert strekte zijn hand uit
‘En de loper graag.’ 
- ‘De loper?’
‘Ja de loper die jij gebruikt. Ik wil niet dat je in mijn spullen rondneust als ik er even niet ben.’
Berend keek met een lange donkere blik naar Hubert die geduldig zijn hand ophield.
‘Nog nooit ben ik zonder toestemming in de kamers van een gast geweest.’ gromde hij.
‘Eens een dief altijd een dief.’ kaatste Hubert terug.
Berends mond zakte open. 
‘Geef de loper en breng mijn bagage naar boven.’ sprak Hubert. ‘Of moet ik eens even een boekje over je open doen?’
Berend hapte naar lucht. Hij wilde wat zeggen maar sloot weer zijn mond. Hij liet een diepe zucht ontsnappen. Eindelijk haalde hij zijn schouders op, pakte een sleutel uit zijn zak en gaf hem aan Hubert. Daarna kwam hij achter de toog te voorschijn, pakte met zijn sterke armen de bagage van Hubert, verdween door de deur achter de toog en kloste de trap op. Triomfantelijk draaide Hubert zich naar de anderen. ‘Begin maar alvast te zingen.’ sprak hij. ‘Als ik me wat heb opgefrist kom ik weer naar beneden.’
Daarna liep hij een beetje slepend met zijn rechterbeen achter Berend aan.

Sofie was roerloos blijven staan. Joachim staarde voor zich uit. Zijn vriendin keek hem met grote ogen aan. De radio jengelde zachtjes. De blikken van Albert en Klaas waren nog somberder geworden. Marie keek doelloos in haar kaarten. Ze streek met een hand voorzichtig over haar korte grijze gekrulde haren. Daarna vouwde ze de kaarten weer terug tegen haar borst en bleef deze handeling herhalen zonder te zien welke kaarten ze op haar hand had. Alleen Walter en de hond snurkten vredig door.
Eindelijk sprak Sofie met hese stem, ‘Dit is stuitend. Wat een hufter.’
‘En straks komt hij weer naar beneden.’ voegde Marie aan haar woorden toe. Ze streek haar roze mantelpakje glad. De anderen knikten beamend.
‘Draait er geen leuke film vanavond Chiem.’ vroeg Joachims vriendin en streelde voorzichtig zijn hand. Maar Joachim deed alsof hij haar niet hoorde en trok zijn hand weg.
‘Chiem.’ fleemde ze.
Nu draaide hij zich naar haar toe. ‘We kunnen niet zomaar weg.’ sprak hij met benepen stem. ‘Niet nu, niet op kerstavond. Dat snap je toch wel Susy?!’
Ze haalde haar schouders op. ‘Die man is een engerd. Hij zoekt ruzie. Straks komt hij naar beneden en dan...?’

‘Die man die hoort hier niet thuis.’ bracht Marie uit.
Er klonk gestommel op de trap. Iedereen keek gespannen naar de deur achter de tapkast. De machtige gestalte van Berend kwam binnen. Hij zag een beetje bleekjes. 
‘Ken jij die etter?’ vroeg Sofie. 
Berend liet een kort ‘nee’ horen, en poetste gewoontegetrouw de toog. Maar Sofie liet zich niet afpoeieren. 
‘Hij kent ons wel. Hoe weet hij anders dat Teun Joachim's oom niet is.’
Berend haalde zijn brede schouders op. ‘Van Teun. Wie anders?’ bromde hij. ‘Die zal hem ook wel verteld hebben van de huur die Joachim nog moet betalen.’
Sofie steunde met haar ellebogen op de tapkast. Haar rechtervoet had ze op de dikke koperen buis beneden aan laten rusten. Ze liet haar hoofd op haar handen zakken. Haar ogen vernauwden zich. ‘Waarom heb je ons niets laten weten Berend? Hoe lang wist je al dat Teun het café wilde verkopen?’
Berend zuchtte diep en keek langs haar heen naar Klaas en Albert.
‘Nou?’ drong Sofie aan. 
‘We wisten het.’ gaf Berend toe. 
Sofie draaide zich abrupt naar Klaas, Marie en Albert. 
Albert keek schuldbewust voor zich uit. Klaas en Marie bestudeerden intensief hun kaarten.
‘Jullie wisten het dus ook.’ constateerde Sofie.
‘Wat een stelletje achterbakse sniepers. Jullie wisten dat het verkocht ging worden en jullie hebben mij niets laten weten.’ Ze draaide zich naar Joachim. ‘En jij, weet jij het soms ook. En Susy en Walter.... en de hond is zeker ook op de hoogte. Alleen ik weet van niks.’
Joachim stak bezwerend zijn handen omhoog en riep. ‘Ik weet van niks.’ 
Sofie keek hem met gefronste wenkbrauwen aan...
‘Echt niet! Hè Susy, ik weet helemaal nergens van.’ Susy knikte ijverig en streelde de hand van Joachim die nog steeds naast haar tafeltje stond.’
‘Ja, Ja. Dat zal wel.’ klaagde Sofie. ‘Altijd, moeders liefste ventje. Weet nooit wat. Heeft het nooit gedaan. Kan het nooit helpen. Altijd zijn het de anderen. Altijd verkeerde vrienden. Wanneer weet je eindelijk eens een keertje wel wat?’ 
‘Rustig aan Sofie, Rustig aan.’ probeerde Albert.
Als door een slang gebeten draaide Sofie zich nu naar Albert. ‘Hou jij je d'r buiten Albert! Jij hebt je nog nooit wat van die jongen aangetrokken. Bemoei je er nu ook niet mee. En als je wel wat wilt doen zorg er dan voor dat hij een baan krijgt en kostgeld gaat betalen in plaats van op andermans zak te teren.’
Albert deed zijn mond open om te antwoorden. En diepe rimpel was op zijn voorhoofd getrokken. Klaas legde zijn hand op Albert's arm. ‘Het heeft geen zin om ruzie te maken Albert.’ Een zucht ontsnapte aan Albert's mond. 
Marie gooide haar kaarten met een klap op tafel. ‘Zo heb ik geen zin meer om te kaarten!’
‘Zal ik nog wat inschenken?’ vroeg Berend voorzichtig, en poetste met een automatisch gebaar een wijnglas. ‘Van het huis.’
Hij keek vragend naar Sofie. ‘Sofie, wat zal het zijn?’
‘Niks!’ brieste Sofie. ‘Zo makkelijk kom je niet van me af! Waarom heb jij deze tent niet gekocht?’
Berend haalde zijn schouders op. ‘Ik?’ sprak hij gelaten. Hij schonk een witte wijn in en schoof het glas naar Sofie.
‘Ja, jij. Wie anders? Jij runt hier toch deze tent?!’ 
Berend antwoordde niet op haar vraag en keek naar Klaas.
‘Rustig nou Sofie.’ sprak Klaas sussend. ‘Hij kan er ook niets aan doen.’
‘Waarom moet ik rustig zijn. Waarom kan hij er niets aan doen?’ riep Sofie. Ze hield haar vuisten gebald en haar armen gestrekt langs haar lichaam. ‘Jullie hebben allemaal zitten slapen terwijl Teun ons café aan dat ettertje verkocht. Waar moeten we voortaan naar toe? Je denkt toch niet dat ik hier nog wil komen? En ons jaarlijks kersfeest? De kerstliederen? En de pakjes?’ plotseling barstte ze in huilen uit. Niemand verroerde zicht. 

‘Chiem.’ sprak Susy zachtjes en trok aan zijn hand. ‘Zullen we niet toch maar ergens anders naar toe gaan?’
Sofie hield op met snikken en kreeg een nieuwe woedeaanval. ‘Is het niet goed genoeg bij ons? Jij kon het natuurlijk ook niet helpen net als je lieve vriendje! Het enige wat jullie kunnen is de hele dag zitten flikflooien en bij Berend op de pof drankjes drinken en bij Albert en mij om geld zeuren.’
‘Ik wilde best wel helpen.’ verdedigde Susy zich. ‘Maar ik verdien te weinig voor een banklening. Ik heb het geprobeerd! Vraag het maar aan Albert.’ Abrupt zweeg ze.
Sofie's mond viel open. Langzaam drong de betekenis van de woorden van Susy tot haar door. Ze hapte naar adem en bracht er uit: ‘Jij wist het dus ook. En je staat me hier een beetje te beliegen!’ Er viel een diepe stilte. Berend poetste de tapkast. De radio jengelde zachtjes. Walter begon weer te snurken. De hond opende zijn ogen, keek even rond, geeuwde, liet met een ingehouden grom zijn kop weer zakken en sliep verder. Het met rood crêpepapier omzoomde raam was een donker gat met in spiegelbeeld de letters 'Marktzicht'. Daarachter was het gele licht van de ouderwetse straatlantaarns van het marktplein zichtbaar.. De lichtjes in de grote kerstboom vertoonden een geheimzinnige schittering die in duizendvoud weerkaatste in de talloze glanzende ballen en zilveren slingers.
‘We konden het geld niet bij elkaar krijgen.’ bevestigde Albert. ‘We hebben Teun gevraagd om tot na kerstmis te wachten. Om niet overhaast te werk te gaan. We hebben een beroep gedaan op onze jarenlange vriendschap. Ik heb gezegd dat hij met jou, zijn bloedeigen zus, rekening moest houden. Hij zou erover nadenken. Maar Teun heeft blijkbaar niet gewacht. Misschien zou het niet zo'n vaart lopen. Misschien zouden we hem kunnen overhalen om het uit te stellen, of een andere oplossing te zoeken.......’ Albert keek peinzend voor zich uit.
‘Hij heeft blijkbaar niet gewacht....’ Herhaalde hij en keek naar Berend. Die haalde zijn brede schouders op en zei. ‘Ik weet het pas sinds vanmorgen. Ik kon het niet geloven. Pas toen die Hubert de Vries zei dat hij de nieuwe eigenaar was realiseerde ik me dat het echt waar was dat Teun het café heeft verkocht.’
Sofie keek met betraande ogen de gelagkamer rond. ‘Zeg dat het niet waar is...’ smeekte ze Berend. 
‘Ik heb geen geld. Ik verdien te weinig.’ antwoordde Berend bedremmeld. ‘De bank wilde niets lenen. Teun vroeg teveel. Dat was het pand niet waard zeiden ze.’ 

Sofie strompelde naar haar plaats aan de kaart tafel. Daar zeeg ze neer. Ook Joachim ging weer zitten. ‘Ik kan er ook niets aan doen.’ fluisterde hij naar Susy. ‘Ik wil echt wel werken, maar nergens krijg ik vastigheid. Ik doe heus mijn best, maar ik kan me toch ook niet overal laten koeioneren?’ 
Susy legde haar hand op de zijne en antwoordde. ‘Stil maar Chiem, jij kan het ook niet helpen.’ 
Sofie begon zachtjes te huilen. ‘Niemand vertelt mij wat. Ik hoor alles pas het laatste’ snikte ze. ‘Ik had toch geld kunnen lenen, zodat Berend zich had kunnen uitkopen?’ 
‘Wij hebben toch niemand om geld aan te vragen.’ sprak Albert.
Sofie keek hem even met haar rood behuilde ogen aan. Daarna snikte ze zachtjes verder. Marie legde haar hand op haar schouder. ‘Het is niet eerlijk.’

Klaas pakte zijn kaarten van tafel en staarde in het niets. Albert rolde een sjekkie en stak hem gedachteloos met zijn ouderwetse aansteker aan. Er daalde een diepe rust neer in het café die alleen af en toe werd doorbroken door een zachte snik van Sofie. Niemand sprak een woord. iedereen keek voor zich uit met sombere blik, tot het wel leek dat de tijd niet meer bestond en het café een schilderij was waarin de levende personage waren verstild. 

Susy maakt als eerste een beweging. Ze stond op en liep naar het met rood crêpepapier afgezette raam. ‘Hé.’ riep ze. Walter schrok wakker. ‘Kijk. Het sneeuwt. Het sneeuwt.’ Walter stond langzaam op en schuifelde op zijn sloffen naar het raam. Samen keken ze naar de grote sneeuwvlokken die beschenen door het gele licht van de lantaarns van het marktplein in grote hoeveelheden naar beneden dwarrelden.
‘Mooi he meisie.’ murmelde Walter. ‘Dat doet me denken aan de winter van '63. toen hadden we ook een witte kerst.’
‘Toen was ik nog niet geboren.’ lachte Susy. ‘Ik kan me niet herinneren dat ik ooit een witte kerst heb meegemaakt.’ 
Walter lachte schaapachtig. 
‘Het ligt al hartstikke dik.’ vervolgde Susy enthousiast. ‘We zijn door die rare man helemaal vergeten naar buiten te kijken. Stel je voor een witte kerstmis!’ Ze draaide zich van het raam. ‘Kom. Chiem. Naar buiten. Dan maken we een sneeuwpop. Heb je een slee Berend?’
Berend schudde stug met zijn hoofd. Susy wachtte niet verder af. Pakte haar jas van de kapstok naast de deur, trok de zware tochtgordijnen opzij en verdween naar buiten.’
De tochtgordijnen wapperde. ‘Deur dicht.’ riep Albert. Zijn gezicht sprak boekdelen over wat hij dacht over zoveel jeugdig enthousiasme. 
‘Walter.’ riep Berend. Walter verdween achter de tochtgordijnen om de deur te sluiten. Het wapperen hield op. Hij kwam weer te voorschijn en liep naar Joachim. ‘Als je haar nog een tijdje wilt hebben zou ik maar naar buiten gaan.’  sprak hij vriendelijk tot Joachim. Joachim keek hem met een wazige blik aan. 
‘Ga naar buiten man!’ herhaalde Walter. ‘Ga je laten inzepen.’
‘Wat moet ik? Naar buiten?’ echode Joachim.
‘Naar buiten, Ja. En snel.’
Gehoorzaam stond Joachim op. Sloeg zijn zijden sjaal om, pakte zijn groene jagersjas en ging achter Susy aan. 
‘Doe de deur achter je dicht’ riep Albert voor hij verdween. 

Ze hadden het kaartspel weer hervat. 
Walter slofte naar zijn stoel naast de grote haard en mompelde ‘Die jeugd van tegenwoordig..... Waarom dat aardige meidje aan die jongen blijft hangen is mij een raadsel...’
Sofie veerde rechtop. ‘Het is een lieve jongen. Hij is altijd beleefd.’ Ze keek naar Albert die zijn mond open deed om wat te zeggen. Maar Sofie snoerde hem de mond. ‘Hij denkt tenminste altijd aan mijn verjaardag. Hij zat tenminste niet in de kroeg toen ik ziek was, maar deed de boodschappen. Het is een lieve jongen. Hij is zoals elke moeder haar zoon zou willen. Hij is.....’ 

Er klonk gestommel op de trap. Hubert verscheen in de deuropening schuin achter de tapkast. Zonder acht te slaan op de anderen liep hij naar de plaats waar Joachim had gezeten. Hij plofte neer en bracht met zijn hand zijn gebogen rechterbeen omhoog. Er klonk een droge klik toen het been zich strekte. Hij plaatste hem op de stoel waarop Susy had gezeten.  ‘Berend.’ commandeerde hij terwijl hij als een maarschalk het lokaal overzag. ‘één kopstoot.’
Berend greep naar de glazen.
‘... Hij is een lieve jongen’ hernam Sofie iets te nadrukkelijk.
‘Is die nietsnut en zijn del vertrokken?’ galmde Hubert. ‘Heeft hij zijn consumpties afgerekend Berend?’ 
‘Ik wordt niet goed van die vent’ sprak Sofie.
‘Jij bent aan de beurt, Albert.’ sprak Klaas vlak.
Berend pakte een dienblad, plaatste daarop voorzichtig de jenever en de pils en liep naar Hubert om hem te bedienen. Geheel volgens de regels van het vak pakte hij de lege glazen van het tafeltje en plaatste hij de consumpties op twee nieuwe onderzetjes. Hubert keek gespannen toe en hield twee vingers langs de schuimkraag van het bier. Veelbetekenend keek hij Berend aan. ‘Ik vroeg je wat.’ sprak hij lijzig. 
Voor Berend kon antwoorden klonk er een harde klap tegen het raam. De resten van een uiteengespatte sneeuwbal zakte langzaam over de ruit naar beneden. Het lachende gezicht van Susy verscheen voor het raam. Ze wenkte en zwaaide.’
Alleen Hubert zwaaide. Berend liep terug. Achter het hoofd van Susy werd dat van Joachim zichtbaar. 
‘Ik zie het.’ sprak Hubert. ‘De potverteerders spelen buiten in plaats van te werken om hun schulden af te lossen.’
‘Op kerstavond zeker.’ schamperde Sofie.
‘Laat je niet uit je tent lokken Sofie.’ sprak Marie. 
‘Ja. Op kerstavond.’ reageerde Hubert fel. ‘Er is een schreeuwende behoefte aan horecapersoneel. Zeker op kerstavond. Hij kan zo aan de slag als vaatafwasser.’
‘Hou op!’ schreeuwde Marie. ‘We zijn hier om kerstavond te vieren. Niet om ruzie te maken. Berend wil je de kaarsen in de boom aansteken en de elektrische lampjes en alle lichten uitdoen?’
Berend greep de lucifers en maakte aanstalten om aan haar verzoek te voldoen.
Hubert kuchte. Berend aarzelde. ‘Zou je dat wel doen Berend, het is nog geen half twaalf?!’
Berend haalde zijn schouders op. ‘en bovendien,’ vervolgde Hubert met dreigende toon ‘Brandende kaarsen in een kerstboom? In mijn etablissement.....  geen sprake van!’
‘Ik zet altijd een emmer water gereed....’ Probeerde Berend.
‘Vond Teun dat wel goed?’ 
Berend haalde zijn schouders op ‘Teun kwam altijd pas eerste kerstdag...’
‘Ah...’ riep Hubert triomfantelijk. ‘En wat niet weet wat niet deert.’

‘Man houd toch op.’ sprak Klaas vanachter zijn kaarten. ‘Ga naar je kamer en laat ons het kerstfeest vieren zoals we dat altijd doen.’
‘Zo meneer van Dalfsen spreekt eindelijk ook eens.’ zei Hubert. 
‘Je hebt me gehoord Berend.’ vervolgde Hubert gedecideerd. ‘Geen brandende kaarsen in de kerstboom.’
Berend draaide zich om.
‘Berend’ vroeg Klaas op dreigende toon. ‘Wil je de kaarsjes in de boom aansteken en de elektrische lampjes uitdoen?’
Vertwijfeld keek Berend van Klaas naar Hubert en van Hubert naar Klaas.
‘Zou ik vooral niet doen Berend.’ sprak Hubert even dreigend terug.
Klaas stond langzaam op. Zijn kolossale gestalte vulde het lokaal. ‘Wil je even de kaarsjes aansteken.’ vroeg hij poeslief. Hij rolde met zijn spierballen terwijl hij Hubert dreigend aankeek. 
Hubert grinnikte en sprak opgewekt. ‘Dames en heren, zie hier de uitdager: Klaas Dalfsen. Ex-sportschoolhouder, ex-provinciaal krachtsport kampioen, ex-dealer in verboden hormonen en pepmiddelen, ex-gebruiker. Is volledig afgekeurd voor lichamelijke arbeid, kan bijna geen thee-lepeltje meer optillen en is impotent.’ De bewegingen van Klaas stokten. ‘Zijn tegenstander.’ scandeerde Hubert opgewekt verder. ‘Hubert de Vries. Eigenaar van café-pension Marktzicht. In de kracht van zijn al niet meer zo jonge leven. Raakte door een ongeluk zijn rechteronderbeen kwijt.’ hij zweeg een kort moment en voegde er aan toe. ‘Nou ja, ongeluk... Het was geen ongeluk.’
Klaas greep zich vast aan de lambrisering. Zijn hoofd was tijdens de woorden van Hubert rood gekeurd. ‘Ik zal jou een kopje kleiner maken ventje.’ sprak hij gesmoord. ‘Niet doen Klaas.’ smeekte Marie. ‘Je weet wat de dokter heeft gezegd.’
Maar Klaas leek haar niet meer te horen en bewoog zich dreigend in de richting van Hubert die met een droge klik zijn rechterbeen in gebogen toestand terugbracht opstond en vrolijk rondkeek. ‘Zijn er nog mensen die willen inzetten op dit tweegevecht?’ Hij sprong naar het midden van het lokaal alsof hij twee gezonde benen had. ‘Op het verleden! En de toekomst!’ Hij balde zijn vuisten en maakte schijnbewegingen naar Klaas die hem langzaam met geheven armen naderde. ‘Wil je me omarmen?’ treiterde Hubert en danste met zijn kunstbeen en dikke buik om Klaas heen. Klaas kon het allemaal niet zo snel volgen en zwaaide met zijn armen in het rond zonder enig gevaar op te leveren voor Hubert. ‘Klaas houd op.’ riep Marie. Ze stond op. Op dat moment dook Hubert onder de armen van Klaas door en gaf hem van achteren een zetje. Klaas struikelde naar voren en viel op zijn knieën in de armen van Marie. 

Hubert hield stil en keek naar het tweetal. Hij veegde zijn haren terug over zijn kale hoofd en zei. ‘Dat is mooi. Dat lijkt wel op dat beroemde beeldhouwwerk van Rodin: Eeuwige lente. Alleen zit bij Rodin de vrouw op de knieën, en is ze natuurlijk niet zo uitgezakt.’ Grinnikend liep hij terug naar zijn plaats terwijl Klaas zich grommend en steunend aan Marie omhoog trok. ‘Denk om wat de dokter heeft gezegd.’ smeekte Marie en dirigeerde de hevig snuivende Klaas terug naar zijn plaats aan de kaart tafel. 
‘Dus geen brandende kaarsjes in de kerstboom dit jaar.’ concludeerde Hubert tevreden. Hij keek veelbetekenend naar Berend die zich weer achter de bar terugtrok. Klaas hijgde, snoof en transpireerde hevig. Langzaam kreeg hij zichzelf onder controle. ‘Ik neem die lamzak te pakken’ gromde hij bijna onverstaanbaar. Hubert de Vries keek uitdagend het café rond. ‘Nog meer kandidaten voor een tweegevecht?’ Hij maaide uitdagend met zijn armen door de lucht alsof hij zijn tegenstander knock-out sloeg. ‘Nee?’ 
Niemand gaf antwoord. Berend zuchtte diep. 
‘Ook goed.’ Hubert liep traag met slepend been terug naar zijn plaats. Ging zitten, klikte zijn been recht en plaatste hem op de stoel waar Susy had gezeten. Voorzichtig nipte hij aan zijn borrel en nam vervolgens een slok van zijn bier. Walter begon te snurken. 

Albert die de hele tijd met zijn kaarten in zijn hand had gezeten verzamelde nu alle kaarten van de tafel en deed ze in het doosje. Hij stond op en wandelde rustig naar de tapkast. ‘Schenk een biertje voor me in Berend.’ Berend voldeed aan zijn verzoek en Albert draaide zich met het pilsje in zijn hand naar Hubert terwijl hij met zijn elleboog op de toog rustte. 
‘Waarom heb je dit café gekocht?’
Hubert knikte instemmend. ‘Een goede vraag. Jij bent de denker van het gezelschap. De onderzoeker die voor hij tot de aanval overgaat eerst meer van zijn opponent wil weten. Zijn zwakke plekken wil ontdekken voor hij toeslaat.’
Albert staarde Hubert peinzend aan. Hij trok aan zijn sjekkie en inhaleerde diep. ‘Wat zie je in deze tent?’ vroeg hij rustig.
Hubert grinnikte. ‘Voorzichtig snuffelt de onderzoeker aan zijn prooi. Hij bijt niet direct. Hij stelt zijn vragen en wacht rustig af tot er iets komt waarmee hij verder kan. Ik zal je niet teleur stellen. Het leven is een raadsel dat opgelost moet worden. Maar soms is er toeval in het spel. Maar de onderzoeker gelooft niet in toeval. Alles heeft een reden, alles kan verklaard worden. Geloof jij in toeval Albert?’
Albert trok eerst rustig aan zijn sigaret voor hij antwoord gaf. ‘Was het toeval dat je van Teun deze zaak kocht?’
‘Vasthoudend is onze onderzoeker.’ lachte Hubert. ‘Maar elk antwoord heeft een prijs die je eerst moet betalen. Geef jij dus eerst maar eens antwoord Albert van Drunen. Geloof jij in toeval?’ 
De ogen van Albert vernauwden zich. ‘Mijn achternaam ken je dus ook al. Heb je die ook van Teun.’
Hubert zwaaide met zijn vinger. ‘Nee, nee, Albert. Eerst geef jij antwoord op mijn vraag. Geloof je in toeval?’
‘Nee. Als je dat zo graag wilt weten.’ antwoordde Albert. ‘Nee, ik geloof niet in toeval. En zelfs als je dit pand ooit toevallig voor het eerst hebt gezien, dan is het is het geen toeval geweest dat je het kocht. Daarvoor moet je een reden hebben gehad!’ 
‘Daar kan ik geen speld tussen krijgen.’ beaamde Hubert. ‘Maar ik moet je teleurstellen. Ik heb dit pand ongezien van Teun overgenomen. Pas toen hij me vertelde dat hij dit café bezat, dacht ik, een café, dat is lang niet gek om te bezitten. Maar nu twijfel ik daaraan.’
‘Kom kaarten Albert.’ riep Sofie ongeduldig. ‘Je hoort toch dat hij gek is. Laat je niet van de wijs brengen.’
‘Je hoort je vrouw Albert. Ik ben gek. Met mij moet je niet praten. Ga maar kaarten daar wordt je vast wijzer van. Dat dacht Teun ook...’
‘Wat dacht Teun?’ vroeg Albert net iets te snel voor zijn achteloze pose. 
‘Kaarten jullie nooit voor geld?’ vroeg Hubert met lijzige stem. Dan schudde hij met zijn hoofd ‘Ach nee, natuurlijk niet. Hoe kan ik dat vragen jullie hebben geen geld. Jullie hebben niets om in te zetten! Teun wel. Dat is een speler met durf. Hij wist dat als je niet waagt je ook niet wint. Hij vergat alleen dat degene die waagt ook wel eens verliest.’
Marie draaide zich met een ongelovig gezicht naar Hubert. ‘Heeft Teun het café aan jou verloren met kaarten?’
Hubert knikte triomfantelijk. ‘Het heeft me helemaal niets gekost. Nou ja, alleen een fles jenever.’
‘Je hebt hem ten gronde gericht.’ Albert keek hem beschuldigend aan.
‘Hij heeft zichzelf ten gronde gericht!’ verbeterde Hubert. ‘Het was geluk, of zo je wilt ongeluk. Het was toeval dat hij zin had om te kaarten en om zich te bezatten. Het was toeval dat ik daar was. Het was toeval dat ik ook wel een kansje wilde wagen. Het was toeval dat ik won en niet hij. Alles was toeval Albert. Maar jij gelooft niet in toeval. Jij laat nooit iets aan het toeval over. Jij gelooft niet dat het lot ook over jouw leven beslist. Nou Albert. Toch is het zo.’ 
Hubert was steeds luider gaan praten. 
‘Je bent gek.’ Concludeerde Albert.
‘En met gekken hoef je niet te argumenteren.’ vulde Hubert op sarcastische toon aan. ‘Als ze lastig zijn dan sluit je ze op. Maar je moet vooral niet met ze praten en argumenteren. Ze zeggen dingen die niet kloppen en die geen zin hebben. Het lijkt wel of ze iets van je willen. Je voelt je in een hoek gedreven. Je snapt niet wat ze drijft en wat ze willen. Daar wordt je niet wijzer van. Zo is het toch Albert?’ De laatste woorden had hij uitgeschreeuwd.
Albert keek met grote ogen naar Hubert.

‘Wat moet je van ons?’ riep Marie plotseling. ‘Hebben wij je iets aangedaan? Laat ons met rust. We willen alleen maar in vrede de kerstnacht vieren.’ 
Hubert klikte zijn been naar benden en stond op. ‘Als dat niet Marietje Stuiver is. Het lieve jongere zusje van Albert. Ga jij je broertje in bescherming nemen? Dat kan je toch zo goed? Altijd staat ze klaar om de ruzie te sussen. Om in het conflict te bemiddelen. Als het moet zelf de schuld op zich te nemen.’ Hij aarzelde even. ‘Er was eens een tijd dat ik...’ Verder kwam hij niet.

De buitendeur kraakte open. De tochtgordijnen bolden. De crêpepapieren kerstklokken wapperden aan het plafond en de ballen rinkelde in de boom. ‘Deur dicht’ riep Hubert met Albert stem. Susy kwam naar binnen. Ze had een rood hoofd. ‘Sluit snel de deur Chiem’ sprak ze met hijgende stem achter haar. Daarna keek ze met haar allerliefste gezicht naar Hubert. Hubert lachte vriendelijk naar haar terug. ‘Er was eens een tijd.... ‘ Hij keek Susy met wazige ogen aan ‘dat ik wilde dat we samen met kerstmis sneeuwballen zouden gooien. Dat ik wilde dat we zonder kou te voelen door de ongerepte sneeuw zouden rennen tot we buiten adem waren en het leek alsof we niet meer konden. Er was eens een tijd dat ik wilde dat we dicht tegen elkaar eindeloos lang zonder woorden in het vuur zouden staren. Dat we lieve woordjes zouden fluisterden en dat niets in de wereld ons zou kunnen scheiden.’ 
‘Wat mooi.’ fluisterde Susy. Een grote rode kerstbal viel uit de rinkelende boom en spetterde op de houten vloer in duizenden stukjes. Hubert knikte kortaf. 

‘Doe die deur eindelijk eens dicht.’ riep Albert met geïrriteerde stem toen Joachim zwaar hijgend en met een verwilderd gezicht de gelagkamer binnenkwam. Susy had haar jas uitgedaan. Joachim deed ook zijn jas uit. Op zijn mooie jasje tekenden zich grote vochtplekken af. hij bekeek zich zelf in de spiegel naast de deur. ‘Ik krijg overal kringen.’ kermde hij. Hij draaide en keerde voor de spiegel. Susy plofte neer op de plaats waar Hubert had gezeten.  Joachim kwam naast Albert voor de tapkast staan. Een whisky Berend, met ijs.
Berend greep de fles met whisky. 
‘Maar dan wel betalen.’ riep Hubert. Joachim draaide zich om. Zijn gezicht sprak boekdelen. De whiskyfles bleef boven het glas zweven.
‘Waarom vertrek je niet naar waar je vandaan gekomen bent.’ siste Albert aan de andere kant van Joachims.
‘Als er één vertrekt, dan is het die klaploper.’ antwoordde Hubert rustig. ‘Of wil jij voor hem betalen?’ Hubert wachtte het antwoord van Albert niet af. ‘Ach, nee natuurlijk niet. Albert van Drunen heeft zich nooit veel aangetrokken van zijn zoon.’
‘Aangenomen zoon.’ verbeterde Albert.
‘Zoon!’ weersprak Hubert.
‘Aangenomen zoon.’
Hubert lachte. Hij draaide zich naar Susy. ‘Susy begon hij met vriendelijke stem. ‘Als jij eens goed naar die twee kijkt en je zou ze nooit eerder hebben ontmoet. Wat zou je dan van die twee zeggen.’
Susy staarde verward naar het tweetal aan de tapkast. 
‘Zie je geen grote gelijkenis? Dezelfde grootte, hetzelfde postuur, dezelfde neus, dezelfde haarinplant? Natuurlijk niet die ouwe kop!’
Susy knikte. 
‘Vader en zoon. Vind je niet.’
‘Ze zijn toch vader en zoon?’ vroeg Susy op verbaasde toon.
‘Stiefvader.’ sprak Albert met nadruk.
‘Hij is ons aangenomen kind.’ sprak Sofie nu met luide stem van achter de kaarttafel. We konden geen kinderen krijgen. Albert en ik hebben Chiem geadopteerd. Ik heb hem opgevoed alsof hij mijn eigen kind is.’
Hubert grijnsde. 
Susy was opgestaan. Ze liep naar Joachim. Ze sloeg een arm om hem heen. ‘Het geeft niet hoor Chiem. Ik wist niet beter dan dat Albert je vader was. Maar als hij je stiefvader is, dan maakt dat voor mij helemaal niets uit!’
Ze draaide zich naar Hubert. ‘Zo zit dat!’ Ze legde het geld voor de whisky op de toog. Schenk maar in Berend.’ 
‘Weet wat je doet liefje.’ fleemde Hubert. ‘Over een tijdje heb je helemaal geen geld meer, heb je alleen maar schulden, want meneer daar is net als zijn vader.’
‘Stiefvader.’ gromde Albert.
‘Vader.’ kaatste Hubert terug.

‘Hou op.’ riep Susy. ‘Hou op. Wat maakt het uit, vader of stiefvader?’ 
‘Dat ligt er maar aan.’ antwoordde Hubert. ‘Als je ook weet wie de moeder is....’
Hij kon zijn zin niet afmaken. Albert maakte een katachtige sprong. Maar Hubert had daar kennelijk rekening mee gehouden. Want nog sneller dan Albert stapte hij met zijn dikke lijf opzij en stak zijn kunstbeen uit. Albert probeerde overeind te blijven en liep struikelend door het lokaal heen. ‘Albert!’ kreet Sofie, voor hij zich niet meer staande kon houden en tegen de kerstboom viel. Zijn gewicht was te zwaar voor de boom en met een daverend geraas viel Albert met de boom in zijn armen op de grond terwijl de gouden, zilveren, groene en rode ballen met sierlijke bogen door de lucht vlogen en op het houten plankier uiteenspatte. Een deel van de zilveren slingers en brandende lichtjes gleed van de boom over het hoofd en de schouders van Albert. De kaarsjes, die Berend niet aan mochten steken, rolden over de grond. Berend wilde achter de bar te voorschijn komen. ‘Blijf waar je bent.’ beet Hubert hem toe. Even schrok Berend terug. Maar toen kwam hij weer in beweging, langzaam, dreigend nu. Ondertussen krabbelde Albert van de vloer. Hubert bukte zich en liet zijn hand in een pooi van zijn broek glijden ter hoogte van de knie van zijn kunstbeen. Er klonk geluid van glijdend metaal op metaal toen hij met een gemene grijns op zijn gezicht een lang dun mes te voorschijn trok.
‘Stop.’ Gilde Sofie. ‘Stop. Hij heeft een mes... Hij maakt ons af. Hij is hier om ons af te maken.’ 

Hubert wees met zijn mes naar Berend, die inhield. ‘Blijf waar je bent.’ herhaalde hij op lage toon. Toen keek hij naar Albert richtte zijn mes op hem en wees met zijn andere hand naar de kaarttafel. Trillend liep Albert naar de kaarttafel en liet zich naast Sofie op zijn stoel zakken. Sofie sloeg haar armen om hem heen en snikte. Joachim stond bewegingloos naast Hubert. Zijn mond hing open, zijn armen slap lang zijn lichaam. Hubert draaide zich naar Susy, stak het mes met een snelle beweging weer weg en sprak.
‘Zo moet het gegaan zijn.’ 
‘Wat?’ vroeg Susy.
‘Zo gaat het altijd met die intellectuele types. Ze doen net of ze met je willen praten, maar als ze niets meer weten te zeggen bespringen ze je. Dan kunnen ze hun onderdrukte emoties niet meer de baas. Maar ja, je weet het. Geweld is een uitdrukking van onmacht.’ Hij liet een veelbetekenende stilte vallen en vervolgde, ‘Zo moet het ook gegaan zijn toen Albert haar besprong..’ Hij wees naar Marie.’ ....en verkrachtte en haar bezwangerde van hem.’ Zijn vinger priemde nu in de richting van Joachim, die in elkaar kromp.
‘Wat wil je zeggen?’ riep Susy ‘Dat Albert... Dat Chiems moeder is verkracht door Albert..... Dat Chiem......’ sprakeloos staarde Susy naar Albert. De hevig snikkende Sofie maakte zich los van Albert. ‘Het is niet waar.....’ riep ze. ‘Albert, zeg dat het niet waar is!’ Dan keek ze naar Marie en smeekte. ‘Marie, zeg dat het niet waar is.’
‘Zeg dat het niet waar is Marie.’ wauwelde Hubert haar na. ‘Zeg dat Albert niet de vader is!’ Marie keek met grote ogen naar Hubert. ‘Zal ik het dan maar zeggen Marie?’ Vroeg Hubert met opgewekte toon. Marie stak haar armen voor zich uit als wilde ze zich beschermen tegen de woorden die Hubert langzaam, lijzig bijna uitsprak. ‘Marie is een beetje zoals haar naamgenoot een paar eeuwen geleden. Ze was de onbevlekte ontvangenis. Ze was wel zwanger, maar er was in geen velden of wegen een vader te bekennen. Want wie dacht er nu aan, dat broertje lief haar had bezwangerd? Die had toch immers al verkering met tante Sofie?’ Hij lachte schamper.  Albert hoofd zakte op zijn borst. ‘Albert.’ schreeuwde Sofie. ‘Albert..... Albert...’
Hubert grinnikte. ‘Ik dacht wel dat Sofietje van niets wist.’ 

Susy had haar handen voor haar mond geslagen en keek met grote ogen naar de kaarters. Klaas zat houterig en stram op zijn stoel en keek recht voor zich uit naar een andere wereld. Marie had haar hoofd in haar handen laten zakken en snikte evenals Sofie. Albert keek met een vreemde blik in zijn ogen naar Sofie. 
‘En dit stuk inteelt.’ vervolgde Hubert wijzend op Joachim. ‘is het resultaat van deze incestueuze verkrachting en de daarop volgende vijf en twintig jaar van vertroetelen en verpesten.’ Susy staarde naar Joachim. 
‘Luister niet naar die onzin.’ bracht Joachim er uit.
‘Zo zie je maar. ‘vervolgde Hubert. ‘Het maakt wel wat uit, vader of stiefvader. Als je tenminste weet wie zijn moeder is.’
Susy knikte werktuiglijk. Plotseling keerde ze zich om. Greep haar tasje en haar winterjas van de kapstok, trok de tochtgordijnen opzij, rukte de buitendeur open en verdween. De rode crêpepapieren klokken wapperden aan het plafond. De laatste kerstballen rinkelden in de omgevallen boom.
‘Deur dicht.’ riep Hubert. Maar Susy kwam niet meer terug. 
‘Susy!’ schreeuwde Joachim plotseling. Zonder zich de moeite te nemen om zijn jas aan te trekken of sjaal om te doen stormde hij achter haar aan naar buiten. 

‘Deur dicht.’ riep Hubert opnieuw. Hij wenkte Berend, die gehoorzaam van achter de tapkast kwam en de deur sloot.
‘Denk aan de stookkosten.’ grapte Hubert naar hem.
‘Dit krijgt nog een staartje.’ gromde Berend met ingehouden stem voor hij zijn machtige lijf weer achter de tapkast manoeuvreerde. Vervolgens kwam hij weer te voorschijn met stoffer en blik en begon de ravage van de omgevallen kerstboom op te ruimen. Nadat hij de boom weer recht had gezet en de scherven had opgeveegd haalde hij een doos met nieuwe kerstballen te voorschijn en begon geduldig de boom opnieuw op te tuigen. 
Walter was wakker geworden en stond op. ‘Wat is het koud hier.’ rilde hij en ging voor de haard staan. Hubert liep traag met slepend been terug naar het kleine tafeltje. Ging zitten, klikte zijn been recht en plaatste hem op de stoel waar Susy had gezeten. Voorzichtig nipte hij aan zijn borrel en nam vervolgens een slok van zijn bier. 
‘Is Susy weg? en Joachim?’ vroeg Walter. 
Hubert knikte. ‘Ach Walter.’ sprak hij. ‘Je weet hoe dat gaat met de jeugd.’
Walter knikte begrijpend. Dan keek hij naar de kaarters en de snikkende vrouwen.
‘Is er wat?’ vroeg hij aan Hubert. 
‘Ach.’ antwoordde Hubert op dezelfde toon als daarvoor en wees op de omgevallen boom. ‘Je weet hoe dat gaat met vrouwen.’
Walter knikte weer begrijpend.

Berend had ondertussen de kerstboomkaarsjes die op de grond waren gevallen verzameld. Hij verwarmde de onderkant van de kaarsjes me de aansteker van Albert en plaatste ze één voor één op een grote schaal op een tafeltje naast de kerstboom. Eindelijk was hij klaar. Hij nam zijn plaats achter de tapkast weer in en begon zwijgzaam zijn glazen te poetsen. Aan de kaarttafel was al die tijd niets veranderd. Om de minuut herhaalde Sofie steunend en snikkend. ‘Waarom heb je me niets verteld. Niemand vertelt mij wat. Ik hoor alles pas het laatste’ en dan snikte ze verder. De radio jengelde zachtjes. Walter was teruggezakt op zijn stoel naast de haard en begon weer te snurken. De hond opende zijn ogen, keek even rond, geeuwde en sliep verder. Buiten dwarrelden in de nacht de sneeuwvlokken langs de met rood crêpepapier afgezette ramen. De lichtjes in de grote kerstboom weerkaatsten hun geheimzinnige stralen in duizendvoud in de nieuwe glanzende ballen en de zilveren slingers. Hubert staarde er naar.
 

Plotseling ging de buitendeur open en kwam het verkleumde gezicht van Joachim achter de gebolde tochtgordijnen te voorschijn. Voor de haard hield hij stil. Er stroomden tranen over zijn wangen en hij wreef zijn blauwe handen tegen elkaar. 
‘Altijd je jas aantrekken als het buiten koud is.’ sprak Hubert op belerende toon.
Niemand reageerde. 

Buiten begonnen kerkklokken te luiden. Het snikken van Sofie en Marie zwol aan en Klaas en Albert keken nog somberder dan ze al deden. Hubert klikte zijn been naar beneden en stond op en klapte in zijn handen. Walter schrok wakker. De hond jankte. ‘Half twaalf.’ sprak Hubert gebiedend tot Berend. ‘De kaarsjes kunnen aan. En dan gaan we zingen dus zet de radio uit en schenk nog een borrel voor me in.’  Hij wees naar de kaarsjes op de schaal op het tafeltje naast de kerstboom. Walter kreeg een gelukzalige glimlacht op zijn gezicht toen Berend de kaarsjes aanstak, de radio uitschakelde, het glas van Hubert tot het randje toe vulde en de lichten uit deed. ‘Wacht, wacht.’ riep hij. ‘Ik moet mijn cadeautjes nog halen.’ Hij haastte zich weg en kwam twee minuten later terug met een tas in zijn handen. Eén voor één legde hij de kleine pakjes naast de kerstboom. Daarna ging hij recht voor de boom staan en begon met onvaste stem 'Stille nacht heilige nacht' te zingen. Hubert sloeg het glas jenever achterover, kwam naast hem staan en zong mee. Toen het klaar was deelde Walter de pakjes uit. Hij hield er twee over. ‘Waar is Susy?’ vroeg hij aan Joachim. Joachim barste opnieuw in snikken uit. Walter draaide zich naar Hubert. ‘Is ze nu al vertrokken?’ vroeg hij. ‘Ach Walter’ antwoordde Hubert. ‘je weet hoe de jeugd is...’ 
Walter knikte.
‘Jammer, want dit meisje vond ik wel aardig.....’
Hij stak Hubert het pakje van Susy toe. ‘Gelukkig kerstfeest!’
‘Dank je Walter.’ sprak Hubert, ‘Jij en de hond ook een gelukkig kersfeest.’ en hij pakte de kaars uit het pakje en stak hem aan. 
‘Deze is voor Teun.’ vervolgde Walter.
‘Teun komt niet dit jaar.’
‘Dan pak ik hem zelf uit.’ sprak Walter en even later stak hij ook zijn kaars aan. Hij staarde naar de anderen in het half duister. 
‘Waarom doen ze niets?’
‘Ze zijn een beetje van slag af...’ antwoordde Hubert. 
Walter knikte begrijpend en liep naar de anderen, pakte voor iedereen de kaars uit en stak ze allemaal aan. Daarna ging hij weer naast Hubert staan en begon 'Oh dennenboom, oh dennenboom' te zingen. Hubert viel in. Het gesnif en gesnotter aan de kaarttafel en bij de haard werd minder en hield halverwege het lied helemaal op. Toen Walter 'De herdertjes lagen bij nachten' inzette, klonk Joachims hoge stem mee, en ook de anderen vielen in en er daalde een wonderlijk vredige sfeer over café Marktzicht. Na het laatste lied viel er een lange stilte. Walter pinkte een traan weg. ‘Zo is het nou elk jaar.’ fluisterde hij zo zacht mogelijk tegen Hubert.
De kerkklok begon te slaan. ‘Twaalf uur!’
Walter draaide zich naar Joachim, greep zijn hand en riep ‘Hartelijk gefeliciteerd met je verjaardag! Chiem.’ 
Joachim barstte weer in snikken uit en vluchtte in de armen Sofie.

‘Zo is het nu elk jaar.’ herhaalde Walter. ‘Al vijf en twintig jaar.’ hij liep terug naar zijn stoel naast de haard en keek met een gelukzalige blik het lokaal rond. 
Hubert staarde in de vlammetjes van de schaal met kerstboomkaarsjes. Toen hij zich eindelijk omdraaide was Walter al weer in slaap gesukkeld. Zijn gezicht was betrokken. ‘Vijf en twintig jaar.’ sprak hij somber. ‘Vijf en twintig jaar lang vierden ze de komst van het kerstkind.’ woedend keek hij in het schemerig donker dat af ten toe oplichtte door het geflakkerd van de kaars op de kaarttafel. ‘Vijf en twintig jaar zingen ze 'vrede op aarde voor de mensen van goede wil.'’ Hij schreeuwde het nu uit. ‘Hoe kunnen jullie! Hoe is het mogelijk!. Stelletje huichelaars!’
Met grote ogen keken ze hem aan. Berend was gestopt met glazenpoetsen. Hubert wees naar hem. ‘Ja jij ook vetklomp.’
‘Waarom ga je niet weg waar je vandaan komt.’ gromde Berend. ‘Laat die luitjes rustig zoals elk jaar hun kerstfeest vieren.’
Met twee grote stappen was Hubert bij de tapkast. ‘Wil je soms beweren dat je niet bij ze hoort. Dat jij niet samen met hen vijf en twintig jaar kerstfeest heb gevierd in dit verdomde café? Terwijl je jarenlang de nacht ervoor nog aan het inbreken was in de huizen die je vriendje Albert voor je selecteerde en je andere kameraden Klaas en Teun de spullen aan het publiek op de sportschool verpatste.’
Berend hield zijn adem in. 
‘Tot je te vet werd om over hekken en muren heen te klimmen, Albert er geen zin meer in had, Teun verhuisde en Klaas geen kampioen meer was. En toen dacht je. Ach ik kan het hier wel uitzingen tot aan mijn pensioen, met mijn vrienden om mij heen en de hond naast de haard. En die sul van een Teun die nooit de huur opeist. Zo is het toch Berend?’
Berend haalde zijn schouders op en hervatte gewoonte getrouw het poetsen van de glazen.
‘Je dacht zeker. Als ik nu minstens één keer per jaar kerstliederen zing dan zal Hij,’ Hubert wees theatraal naar boven. ‘wel door de vingers zien dat ik bij anderen hun huis leeg roofde.’
Berend zweeg. Alleen zijn hoofd werd nog spookachtig verlicht door de kaars die Walter op de tapkast had geplaatst. Geduldig ging hij door met zijn werk.
‘Nou. Laat ik je even uit die droom helpen. Ik heb grootse plannen met dit pand.’ 
Berend stopte met poetsen.
‘Misschien….. Heel misschien..... Heel misschien kan ik jou daarbij gebruiken.’ grinnikte Hubert.
Hij draaide zich om en liep naar zijn stoel.
‘Wat ben je van plan?’ murmelde Berend.
‘Wat zeg je Berend? Ik kan je niet goed verstaan?’
Hubert zakte op de stoel, strekt zijn kunstbeen en keek Berend met vragend gezicht aan.
Berend schraapte zijn keel en met onvaste stem vroeg hij. ‘Wat ben je van plan met dit pand?’
‘Meneer Hubert.’
Berend slikte. ‘Meneer Hubert.’
‘Tja. Nu je het zo vriendelijk vraagt.’ begon Hubert luchtig. ‘Dan zal ik een tipje van de sluier oplichten. Ik had gedacht dat de jeugd in dit stadje wel eens behoefte zou kunnen hebben aan een goeie discotheek. Twee verdiepingen. Misschien ook de kelder. De kelder heb ik nog niet gezien. Heb je een grote kelder?
Berend knikte. 
‘Ach, natuurlijk.’ vervolgde Hubert. Waar moest je anders de poet laten?’ Hij pauzeerde. ‘Nou goed. Drie verdiepingen dan....  En ik heb een stevige uitsmijter nodig.... Iemand van jouw postuur.’
Berend knikte. Hij pakte een nieuw glas en begon weer te poetsen. 
‘Stel je voor, dat hier 's-avonds de jeugd danst. Dat is toch veel beter dan elke avond dit saaie stelletje aftandse hypocrieten.’
Hubert keek vergenoegd het lokaal rond.

Sofie schoof haar stoel naar achteren waardoor Joachim bijna viel. ‘Ik ga naar bed. Ik kan dit niet langer meer verdragen. Ga jij ook Chiem!’
‘Ja, moeder.’ antwoordde Joachim gedwee.
‘Stiefmoeder.’ Verbeterde Hubert.
Samen verdwenen ze door de deur achter de tapkast en klosten de trap op naar boven. 
‘Schenk nog een jonge in, Berend, ik heb nog lang geen slaap.’ 
Albert en Klaas keken elkaar aan. Zonder een woord te wisselen stonden ook zij op en verdwenen naar boven.
Berend kwam met de fles jenever in zijn hand van achter de toog en schonk Huberts glas weer vol.
‘Laat de fles maar staan. Ga zelf ook slapen. Ik stuur Walter wel naar boven als hij wakker wordt en sluit het boeltje af.’
Berend zette de fles naast het glas en de brandende kaars, haalde zijn schouders op en kloste eveneens naar boven.
Hubert dronk in één teug zijn glas leeg, streek zijn blonde haren terug over zijn kale kop, schok opnieuw in en staarde in de vlam.

‘Wie ben jij en waarom kom je alles wat we hier samen hebben kapot maken?’ Klonk Marie's stem van de andere kant van het lokaal.
‘Die vraag had ik al verwacht.’ sprak Hubert met niet meer zo'n vaste stem.
‘Dan kun je hem vast ook beantwoorden.’
Hubert grinnikte en nipte aan zijn jenever.
‘Nou, krijg ik nog een antwoord?’ drong Marie aan.
‘Er is een tijd geweest Marietje Stuiver,’ lalde Hubert, ‘dat ik de grond waarover je liep wilde kussen.’
Marie keek Hubert onderzoekend aan.
‘Maar je had alleen maar oog voor die spierbal. Je zag me nog niet staan. Zelfs toen ik me inschreef voor die mooie nieuwe sportschool, en stom als ik was mijn spieren voor jou oppompte, zag je alleen maar Klaas de kampioen. Je zag niet de vuile zaakjes die hij met zijn boezemvrienden aan het bekokstoven was. Je zag niets.’
‘Ik ken je niet. Ik heb jou nog nooit eerder gezien.’ mompelde Marie.
Hubert knikte. ‘Ik weet het. Je zag me niet. Ik hoopte dat je dat criminele viertal zou doorzien. Dat je afstand van hen zou nemen. Ik waakte over je. Ik wilde je beschermengel zijn.’
Hubert liet zijn hoofd op zijn handen zakken. ‘Ik was te laat om Albert te stoppen toen hij je besprong. Ik beukte op de gesloten deur. Hij lachte zelfs toen hij me door het ronde raampje zag staan.’
Marie huiverde. ‘Je wilt ze kapot maken!’ riep ze. ‘Je wilt ze ten gronde richten om iets wat mij is aangedaan. Omdat zij pakten wat jij niet kon krijgen. Wie is hier misdadiger? Jij of zij? Misschien was ik blind  ja voor alles wat Klaas met Albert, Berend en Teun uitvoerden. Misschien was ik slap dat ik Sofie en Albert mijn eigen kind Joachim heb laten opvoeden. Dat ik voor de lieve vrede en de vriendschap niet voor mezelf ben opgekomen. Maar dat is mijn keuze geweest. Het waren geen misdadigers, het waren kruimeldieven. Nu zijn ze versleten en berooid. We leven ons rustige leventje hier in café Marktzicht zonder een mens kwaad te doen. Mij hoef je niet te wreken. Ik heb geleerd het leven te aanvaarden zoals het komt. Te genieten van de middagen en avonden in het café en de jaarlijkse gezamenlijke viering van Kerstmis. En het is goed zo. Je hoeft voor mijn niet de engel des wrake te spelen. 

Hubert glimlachte. Hij klapte in zijn handen ‘Bravo, bravo. Hier zit de misdadiger en boven liggen onschuldige oude mannen te slapen.’ hij pauzeerde even. ‘Ben je dan echt zo naïef? Nou dan zal ik je uit je droom helpen.’
Hubert klikte zijn kunstbeen naar beneden en stond wankelend op. ‘Weet je hoe dit is gekomen?’
Marie gaf geen antwoord.
‘Dat hebben die kruimeldiefjes van jouw veroorzaakt. Klaas, Berend en Teun grepen mij toen ik machteloos door het ruitje van de deur zag hoe Albert zich aan jou vergreep. Ze sloegen me bewusteloos. Wat er daarna precies is gebeurd weet ik niet. Waarschijnlijk hebben ze me op straat gegooid en zijn ze met hun auto over me heen gereden. Vlak voordat ze me met z'n drieën van een brug in het water gooiden kwam ik bij bewustzijn. Jouw Klaas hoorde ik nog zeggen 'Zo, van die vent zullen we nooit meer last hebben.' 
Marie keek Hubert met grote ogen aan.
‘Wil je soms weten in welk ziekenhuis ik een half jaar heb gelegen?’ vervolgde hij bitter. ‘Wil je weten naar welk land ik doodsbang ben gevlucht? Wil je soms bewijzen? Zeg het maar!’
Maar Marie sprak geen woord meer. Ze stond op van achter de kaarttafel en liep geruisloos naar boven. Een ogenblik later kwam ze terug met haar jas aan en een kleine koffer in haar hand. Ze gunde Hubert geen blik meer waardig toen ze langs hem liep. Ze trok de tochtgordijnen opzij en ging naar buiten. Hubert wankelde achter haar aan, sloot de buitendeur en deed de grendels dicht. Daarna zakte hij weer op zijn stoel en staarde met een sombere blik in zijn ogen naar het door flakkerende kaarsen verlichte lokaal. Eindelijk na lange tijd liet hij zijn hoofd op de tafel rusten en viel in een onrustige slaap.

Misschien lag hij zo wel een uur. Misschien langer. Plotseling kwam hij met een luide schreeuw overeind. Het kaarsvet in zijn haar stond in de brand. Hij brulde het uit. 
Walter werd met een schok wakker. In een ogenblik had hij overzien wat er aan de hand was. Snel stond de oude man op en gooide het glas bier dat op de tafel van Hubert stond te verschalen over zijn haar. Het vuur op Huberts hoofd doofde. Voorzichtig voelde hij de geschroeide plek. ‘Ik wist niet wat me overkwam.’ verontschuldigde hij zich.
Walter bleef bij hem staan. ‘Zijn de anderen al naar bed?’ vroeg hij overbodig.
Hubert knikte. ‘Dan moet ik ook maar eens gaan mompelde hij.’
Hij keek Hubert nog eens goed aan. ‘Gaat het met je.’
‘Ja dank je Walter het gaat wel.’
‘Ik ken jou ergens van.’ sprak Walter plotseling. Toen zei hij. ‘Jij heb op de sportschool van Klaas gezeten. Lang geleden. Waar of niet?’ Hij Wachtte Huberts antwoord niet af. ‘Jij was degene die achter Marie aanliep!’
Hubert knikte alleen. 
‘Je was plotseling verdwenen..’
‘Ja. Walter zo gaat dat.’ 
Walter knikte begrijpend. ‘Waar ben je heen gegaan?’
‘Naar het buitenland. Canada.’
‘Mooi land.’ mompelde Walter.
‘Ja een mooi land.’ beaamde Hubert. 
‘Nou dan ga ik maar eens.’ Walter verdween door de deur achter de tapkast en stommelde naar boven.
Hubert zwalkte door het stille lokaal. Alle kaarsen waren opgebrand. Alleen de lampjes van de kerstboom zorgden voor verlichting.
Hij ging aan de kaarttafel zitten op de plaats van Marie. Hij gaapte, staarde even naar de kerstboom en liet zijn hoofd achterover rusten. Niet lang daarna was hij weer in slaap gevallen.

 

De eerste ochtendschemer drong door het grote raam van café Marktzicht. De grote sneeuwpop op het trottoir buiten was nauwelijks zichtbaar. Binnen verspreidde de kerstboomverlichting een geheimzinnige geel-rode gloed. Er klonk gestommel op de trap. Berend overzag met sombere blik de tafels met de opgebrande kaarsen. Zijn ogen bleven rusten op de donkere gestalte van Hubert die met zijn bovenlichaam over de kaarttafel lag gebogen. Berend liep naar hem toe en gaf een duw tegen zijn schouders. Toen zag hij het   heft van het mes dat in de rug van Hubert stak. Voorzichtig voelde hij aan de halsslagader. Hij draaide zich om en liep langs de tochtgordijnen naar de buitendeur. Peinzend staarde hij naar de gegrendelde deur. Dan liep hij achter de toog en stommelde naar boven. Even later kwam hij samen met Klaas en Albert naar beneden. De mannen waren nog in pyjama. Eén voor één bekeken ze aandachtig het lichaam van Hubert. 
‘Hij is dood.’ constateerde Albert. De anderen knikten.
Albert liep achter de tapkast en greep de telefoon. 
‘Wacht.’ riep Berend. ‘Wacht…. De buitendeur is nog vergrendeld!’
Langzaam legde Albert de hoorn terug op de haak. Ze keken elkaar zonder een woord te spreken aan. Berend was de eerste die in beweging kwam. ‘Hij moet hier weg. Kom, we brengen hem zo lang naar de kelder.’ 
Met hulp van Klaas en Albert tilde hij het stijve dode lichaam van achter de kaarttafel. Huberts geschroeide blonde haren bungelden van zijn kale hoofd. Samen droegen ze het lijk door de deur achter de tapkast naar de kelder. Even later waren ze terug en namen ze zwijgend aan de kaarttafel plaats.

Er klonk gestommel op de trap. Het was Sofie. Ze droeg een gele ochtendjas. Ze ging moeizaam bij Klaas en Albert aan de kaarttafel zitten. 
‘Heb je koffie Berend?’ vroeg ze met schorre stem. Berend liep achter de tapkast en begon met kopjes te rammelen. De geur van koffie verspreidde zich door het lokaal.

Iemand rammelde aan de deur. ‘Hallo.’
Sofie stond moeizaam op, slofte naar de voordeur, schoof de grendels er af en deed open. 
Een man van een jaar of vijftig stapte naar binnen. ‘Hebben jullie het zo laat gemaakt gisteravond dat je nu nog in pyjama bent?’
Sofie's mond zakte open. ‘Teun?!’ was alles wat ze uit kon brengen. Teun gaf zijn zus een kus en stapte naar binnen. Sofie volgde.

Op dat moment kwam Walter door de deur achter de toog. 
‘Dag Teun.’ sprak hij vriendelijk. ‘Gelukkig kerstfeest.’
‘Jij ook Walter.’ bromde Teun.

Wat kom je doen Teun?’ vroeg Albert.
Verbaasd keek Teun naar Albert. ‘Gewoon, ik kom op bezoek, zoals ik elk jaar op bezoek kom eerste kerstdag. Waarom zijn jullie zo laat op. Waarom staat de ontbijttafel niet gedekt?’ 
‘Waarom heb je het café verkocht?’ Vroeg Sofie.
‘Ik heb niets verkocht.’ bromde Teun.
‘Maar je hebt een paar dagen geleden tegen Berend over de telefoon gezegd dat je overwoog om het café te verkopen?’
Teun knikte. ‘Ik wil het café helemaal niet verkopen, maar Berend moet de huur eens gaan betalen.’

‘Hubert zei gisteren dat je niet kwam.’ zei Walter
‘Oh?’ antwoordde Teun.
‘Ik heb jouw cadeau zelf opengemaakt.....’ verontschuldigde Walter zich.
‘Hubert is al weer vertrokken.’ zei Albert.
Walter knikte begrijpend. Hij keek het lokaal rond. ‘En waar is Marie?’
‘Marie?’ vroeg Klaas. ‘Ik zal eens boven kijken waar ze blijft.’ Hij haastte zich met zijn uitgezakte lijft naar boven. Binnen een halve minuut was hij terug.
‘Ik heb overal gekeken……Ik kan haar nergens vinden….. Marie is weg....’
Met grote ogen keken ze elkaar aan. Niemand verzette een stap. Niemand maakte een geluid. 

Plotseling riep Walter luid ‘Ik weet waar Marie naar toe is. Ze is met hem mee. Met Hubert. Ik heb hem herkend. Hij was degene die vroeger, toen Klaas nog maar pas zijn sportschool had, achter haar aanliep. Hij is haar komen halen. Ik weet het zeker.’
Albert, Berend, Klaas en Teun keken elkaar verschrikt aan. Sofie zeeg neer op haar stoel aan de kaarttafel. ‘Wat is er gebeurd? Waarom weet ik nooit wat er gebeurt? Waarom weet ik pas alles het laatst?’
Teun streek met zijn hand door zijn haren en deed zijn jas uit.

Berend schonk de geurige koffie in. Albert pakte de kaarten en begon te delen. Daarna keek hij naar Teun en maakte een uitnodigend gebaar en wees naar de lege plek van Marie. Teun knikte en nam plaats. Het spel begon. Ze vermeden elkaars blikken en keken alleen naar de kaarten. Berend poetste zo als gebruikelijk de tapkast en de glazen. Lange tijd was alleen het geritsel van de kaarten hoorbaar tot Walter begon te snurken. De hond opende zijn ogen, keek even rond, geeuwde, liet met een ingehouden grom zijn kop weer zaken en sliep verder. Een bleek ochtendzonnetje speelde naar binnen. De lichtjes in de grote kerstboom vertoonden een geheimzinnige schittering die in duizendvoud weerkaatste in de talloze gouden, zilveren, groene en rode ballen en zilveren slingers.

19 november 2003