De moord

De deur gaat open. De rechter loopt met grote stappen naar binnen. Iedereen in de rechtszaal staat op. Hij neemt plaats achter de met groen vilt overtrokken tafel. Met veel gestommel gaat iedereen weer zitten. Links van me, op enige afstand, zit de officier van justitie. Hij kijkt starend voor zich uit. Mijn advocaat zit rechts naast me. Hij tikt zenuwachtig met zijn pen op de tafel. De rechter zet zijn bril op en bladert in zijn papieren. Ik kijk om. Het publiek zit samengedrongen op houten banken en voert opgewonden fluisterende gesprekken. Ongetwijfeld over mij. De rechter schraapt zijn keel. Achter me wordt het muisstil. Hij kijkt me een ogenblik indringend aan. Een wee gevoel trekt door mijn maag. Nu gaat het komen.
 
'Gedurende dit proces,’ begint hij nauwelijks verstaanbaar te spreken 'is het wettig en overtuigend bewijs geleverd dat u verantwoordelijk bent voor de ten laste gelegde aanklacht van moord met voorbedachte rade.’ 

Er gaat een diepe zucht door de tribune. Hij pauzeert even alsof hij me de tijd wil gunnen om zijn oordeel tot me door te laten dringen. 

Ik had verwacht dat ik flauw zou vallen, in tranen uitbarsten, beginnen te schreeuwen. Maar ik voel geen teleurstelling of woede. Nu pas besef ik dat ik geen andere uitspraak had verwacht. In de ogen van de wereld ben ik schuldig aan moord met voorbedachte rade. Alleen ikzelf weet dat ik niet schuldig ben. Ik voel slechts hoe de woorden van de rechter een zware verstikkende deken van eenzaamheid legt op het verdriet over het verlies van jou mijn liefste. Er is geen weg meer terug nu ik wel met voorbedachte raden vermoord wordt en net als jij begraven wordt om nooit meer op te staan. Het publiek kijkt zwijgend toe hoe de kist in het gat zakt. Op de rand van mijn graf spreekt de rechter in plaats van troostende woorden een eeuwige vloek over me uit.

'Op de avond van de tiende december bent u doelbewust naar dancing De Put gegaan. Daar heeft u contact gezocht met een handelaar in harddrugs. Tijdens het politieonderzoek heeft deze man u herkend en aangewezen temidden van vijf anderen.’

Een glitterende disco-bol sproeide witte lichtflitsen over de dansende mensenmassa die mee knipperde op de maat van harde house-muziek. Hoe kwam ik in godsnaam in contact met een handelaar? Ik had heroïne zelfs nog nooit van dichtbij gezien. Hoeveel zou je nodig hebben voor een overdosis? Langzaam liep ik tussen de deinende en zwetende lijven zoekend naar een teken van herkenning. Tot ik in een uithoek iemand zag spuiten. 'Waar kan ik dat spul krijgen?’ Hij wees. Kort daarop vluchtte ik naar buiten. Ik hoor nog het gelach van de handelaar op mijn vraag of hij ook een spuit en een naald had. Maar het deerde me niet en ik bracht mijn kostbare buit naar jou mijn liefste. 

'Het politieonderzoek en de sectie op het stoffelijk overschot heeft op geen enkele wijze uw bewering gestaafd dat het slachtoffer leed aan een ongeneeslijke ziekte. In tegendeel het slachtoffer verkeerde in een blakende gezondheidstoestand en is overleden aan een overdosis heroïne.’

Je was steeds vaker neerslachtig en depressief. Ik wist niet wat het was wat je dwars zat. Ik probeerde je op te beuren maar mijn woorden leken averechts te werken. Dat hield zo al maanden aan. Als je de telefoon niet aannam haastte ik me met bange voorgevoelens uit mijn werk naar huis. Dan lag je lusteloos in bed. Je was de laatste tijd veel uit je humeur. De huisarts opperde overspannenheid en schreef Prozac voor. Ik maakte plannen voor de zomervakantie, maar je zag er tegen op. Ik wilde met je wandelen, maar je bleef met de winterkou liever binnen. Ik vertelde je de verhalen van mijn werk. Ik stookte de haard en draaide onze mooiste muziek. Maar het wilde niet helpen. Ik raakte ten einde raad, waarop je zei dat je een last voor me was. Waar was die liefste vrouw die ik drie jaar geleden op een vakantie had ontmoet? Die levenslustige vrolijke vrouw die van het leven een feest maakte?

'Uw huisarts bevestigde slechts dat het slachtoffer depressief was. Op geen enkele wijze heeft de rechtbank uw bewering kunnen staven dat er bij het slachtoffer een ver gevorderde vorm van buikkanker was geconstateerd.’

Je begon lichamelijke klachten te krijgen. Slapeloosheid en buikpijn. Als je nog uit bed kwam dan bleef je in je nachtkleding. Ik drong er op aan dat je je liet onderzoeken bij de huisarts. Maar je wilde niet. Die zou alleen maar meer duf-makende pillen voorschrijven. 'Of,’ wierp ik tegen 'je laten verwijzen naar het ziekenhuis, voor een specialistisch onderzoek.’ Je haalde je schouders op. 'Als ik naar het ziekenhuis wil dan kan ik dat ook zonder huisarts.’ Je kende nog wel artsen in de ziekenhuizen waar je in het verleden had gewerkt.
Enkele dagen later, vond ik je tot mijn verbazing, 's-avonds, toen ik thuis kwam, aangekleed op de bank. Je had naar een specialist gebeld. In het ziekenhuis hadden ze je grondig onderzocht. Bloed afgenomen - je toonde de pleister op de binnenkant van je arm - en foto's gemaakt van je buik. Je had contant betaald. Het wachten was op de uitslag. Je zag er triest, klein en zielig uit daar op het hoekje van de bank. Ik troostte je en zei dat de uitslag je zou bevrijden van je moedeloosheid. Maar je huilde en zei dat je bang was.

'In het politieonderzoek is op geen enkele manier gebleken dat het slachtoffer zich heeft laten onderzoeken in een ziekenhuis. Nergens was het slachtoffer als patiënt geregistreerd. Geen enkel ziekenhuis bezit een schriftelijke uitslag van een medisch onderzoek naar het slachtoffer. De naam van de medisch specialist is onbekend.
De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat u deze beweringen heeft verzonnen om uw daad te rechtvaardigen of om te proberen vanwege verzachtende omstandigheden strafvermindering te krijgen.’

Je belde me op het werk. 'Kom naar huis.’ snikte je. Je wilde niet zeggen wat er aan de hand was. Je lag op de bank en was in tranen. Je wilde niet zeggen waarom je me had gebeld maar wees alleen naar de brief die op de tafel lag. Het was de uitslag van het ziekenhuis. In een kriebelig doktershandschrift stond te lezen dat er een kwaadaardige tumor in je buikholte was geconstateerd. Op verschillende plaatsen waren uitzaaiingen ontstaan. Een operatie had in dit stadium van de ziekte geen zin meer.
De specialist van het ziekenhuis had de brief persoonlijk bezorgd. Hij had je verteld dat je nog een half jaar te leven had. Had ik maar beter geluisterd naar die naam. Had ik die brief maar bij me gestoken. Had ik de naam van het ziekenhuis maar onthouden. Dan hadden ze de specialist kunnen grijpen die stiekem bij-kluste en de foute diagnose heeft gesteld.

'Op geen enkele wijze is uit het politieonderzoek gebleken dat het slachtoffer suïcidale neigingen had. De verhoren onder kennissen en bekenden bevestigden slechts dat het slachtoffer een levenslustige jonge vrouw was.’

Hoe paradoxaal het ook lijkt, die laatste maand met jou was de mooiste in mijn leven. Na de uitslag van het ziekenhuis werd je rustiger, zelfverzekerder. Het was net alsof je je noodlot aanvaardde. Ik had het gevoel dat ik nader tot je kwam, dat je me in vertrouwen nam en je diepste gevoelens met me deelde zoals de angst voor de pijn en voor het sterven. Je wilde niet wachten tot je lichaam door de kanker was verteerd. Ik weerde het af. 'Nooit van mijn leven.’ bezwoer ik 'zal ik je in de steek laten. Je zult sterven in mijn armen als je tijd is gekomen.’ Je schudde je hoofd. Niet eerder had ik je zo zelfbewust zien kiezen. 'Jij mag me helpen.’ glimlachte ze. En ik was diep geroerd door je vertrouwen. Maar ik kon het niet. Hoe kon ik doden wat ik het meeste liefhad op aarde?

'De rechtbank kan slechts gissen naar wat er zich die bewuste avond heeft afgespeeld. Hoe u heeft kunnen verhullen dat u het slachtoffer een dodelijke injectie gaf. Alle sporen wijzen naar u als de dader. De vingerafdrukken op de verpakking van de heroïne. De vingerafdrukken op de spuit waarin nog resten heroïne zijn aangetroffen. Verder is er uw bekentenis dat u de heroïne heeft aangeschaft. De bekentenis dat u de injectie heeft toegediend en tenslotte het sectierapport van de patholoog anatoom dat het slachtoffer is overleden aan en overdosis heroïne.’

'Ik kan niet.’ fluisterde ik. Je kuste me. Trillend hield ik de spuit in mijn hand. 'Laat een klein beetje door de naald komen’ sprak je kalm. Voorzichtig drukte ik. 'Doe het nu!’ drong je zachtjes aan. 'Ik kan niet.’ huilde ik. Je stuurde mijn bevende hand naar je arm. Je had de ader laten opzwellen door je arm af te binden. Door mijn tranen heen zag ik hoe de naald in de ader verdween. 'Druk de spuit leeg!’ Ik gehoorzaamde. Je vleide je in mijn armen en daar stierf je met een glimlach op je lippen.

'De rechtbank kan niet anders concluderen dan dat u deze daad zorgvuldig heeft gepland en op een kille meedogenloze wijze ten uitvoer heeft gebracht. Uit het psychologisch rapport is slechts gebleken dat u een dominante persoonlijkheid bent. Er is niet gebleken dat u ten tijde van de moord verminderd toerekeningsvatbaar was. Bij de bepaling van de strafmaat zijn daarom geen verzachtende omstandigheden meegewogen.
De rechtbank veroordeelt u daarom tot de maximale celstraf van 20 jaar. Deze straf zal terstond een aanvang nemen.’

De rechter zet zijn bril af, veegt zijn papieren bij elkaar en staat op. Stommelend komt de zaal overeind. Mijn advocaat kijk beschaamd naar de vloer. De griffier pakte zijn spulletjes bij elkaar en volgt de rechter naar de deur.
Gapend staart iedereen me aan. Twee gevangenisbewaarders trekken me overeind. Als in een droom loop ik tussen hen in naar het cellenblok. Ze laten me los. Ik zie de celdeur dichtslaan. Ik staar zittend op de brits zonder gevoel voor tijd naar het kijkgat. Langzaam dringt het ongelofelijke tot me door. Twintig jaar cel. Twintig jaar eenzaamheid en verdriet. Oh, had ik maar jouw kracht. Oh, mijn liefste kon ik maar bij je zijn.

Hoe lang zit ik hier al? Drie weken? Vier weken? De dagen rijgen zich zonder kop of staart aaneen. Ik hoor een geluid. De deur draait open. Mijn advocaat. 'Ik wilde je nog even gedag zeggen.’ mompelt hij. Hij blijft op de drempel staan. Hij maakt zijn zwarte akte-koffer open. 'Dit is bij je thuis aangekomen met de post.’ Hij legt de envelop neer op het kleine metalen muurtafeltje. 'Laat het me weten als er informatie in staat die we nog kunnen gebruiken.’
Ik knik. Hij drukt me de hand. 'Sterkte.’ Daarna verdwijnt hij door de deur.

Ik maak de brief open. Het is haar handschrift. 

Dag Marjolein,

De laatste tijd droom ik vaak van vroeger, van de zee en het strand. Dan loop ik met blote voeten door het warme zand en speel ik in de schuimende koppen van de branding. Dan volg ik de schreeuwende meeuwen in de lucht en in de blauwe verte aan de horizon de schepen die langzaam voorbij varen. Dan snuif ik de zilte zeelucht op die zich 's-avonds vermengt met de geur van brandend hout als ik met mijn vrienden rond het kampvuur zit terwijl we praten, lachen, zingen en in de likkende vlammen staren. Eeuwig zou ik zo willen blijven dromen en proeven van het geluk en de vrijheid. En zelfs als jij in mijn droom verschijnt, zoals je tijdens die lange zomervakantie in mijn leven verscheen, wil ik niet wakker worden maar opnieuw verdrinken in verliefdheid en hartstocht. 

Niet meer wakker worden, maar voort dromen over die mooie dagen hoewel ik weet hoe de droom langzaam van karakter verandert. Hoe heb ik zo blind kunnen zijn? Hoe kon het gebeuren dat ik alles verloor wat mij dierbaar was, de zee, het strand, mijn vrienden en familie, mijn geluk, mijn vrijheid? Het is zo moeilijk te begrijpen wat met ons is gebeurd, met mij is gebeurd. Steeds opnieuw heb ik een stukje van mezelf weggegeven. Eerst mijn familie die onze liefde niet begreep en me uit hun harten sloot. Toen het strand en de zee omdat jij een baan had in de stad. Je wilde mijn vrienden liever niet meer zien. Die hadden immers niets bereikt in het leven. Toen mijn baantjes omdat jij toch genoeg verdiende. Sluipend, stap voor stap perkte je mijn leven in. De leegte die daardoor ontstond vulde zich eerst met verveling toen kwam er angst bij. Angst om iets verkeerd te doen. Angst voor jouw mening over mij. Angst om ook nog het laatste beetje geluk dat ik in mijn handen had te verspelen. Angst om de laatste contacten met de buitenwereld te verliezen. Van de buren moest je niets hebben die begrepen toch niets van twee vrouwen die op hetzelfde adres woonden. In plaats van de contacten met mijn omgeving mocht ik af en toe van je mee op bezoek naar je kennissen en vrienden, onder voorwaarde dat ik me vrolijk en ontspannen zou gedragen. Ik werd je speeltje, je knuffeldier voor na het werk. Je verpletterde me met je aanwezigheid. Met je walgelijke klassieke kamermuziek. Met schijn-bezorgdheid. Met Prozac. Met je vervelende heldenverhalen van je werk. Ik werd je kanariepietje in een kooi, je goudvis in een kom. En ook dat raakte ik kwijt terwijl ik je houding langzaam zag veranderen van liefdevolle zorgzaamheid naar overstelpend medelijden. Ik voelde dat je een eind aan mijn uitzichtloze situatie wilde maken. Ik kon je bijna horen denken: hoe kom ik van haar af. Ik durfde 's-nachts niet meer te slapen uit angst dat je me in mijn slaap zou wurgen. Uit angst dat je me pijn zou doen, uit angst om te sterven. Je hebt me langzaam vermoord. Je hebt me van mijn geluk en mijn vrijheid beroofd en niets van me overgelaten. 
Wat mij rest is de zekerheid dat je ook het laatste beetje leven van me af gaat nemen en verder een grenzeloos verlangen om je daarvoor te laten boeten.

8 oktober 2001