De hond van Miro

‘Kukeleku’ kraait de haan. Gemma maakt een onrustige beweging in haar slaap. Automatisch trekt ze haar kussen vaster onder haar hoofd. ‘Kukeleku’.

Het zonlicht speelt met de wind en de gordijnen.
‘Waar ben ik?’ denkt ze. Voorzichtig opent ze haar ogen. Niet meer dan een kiertje. Maar genoeg om te zien dat ze in haar eigen bed ligt. In de verte hoort ze het geronk van een motor. Het geluid zwelt even aan. Een groot voertuig rijdt langs. Meer geluiden dringen nu langs de voorzichtig in de wind waaiende gordijnen. Een deur die slaat. Het getok van kippen. Het scherende geluid van een vlucht duiven. Een balk kraakt. Iemand loopt beneden.

Ze voelt dat ze opnieuw in slaap weg zakt. De hond slaat aan.
‘Zo vroeg bezoek?’ kan ze nog net denken voor de slaap haar gedachten inhaalt.

‘Dag meisje’. fluistert een zachte mannenstem van achter het waaiende gordijn.
Ze spitst haar oren. Opnieuw hoort ze een gerucht beneden.
‘Is daar iemand?’
Haar stem wil niet. Ze gaat zitten. Ze schraapt haar keel en kucht. ‘Is daar iemand?’
Haar stem slaat over.
Geen antwoord.

Een windvlaag blaast de gordijnen helemaal naar binnen. Ze schuren met een vreemd piepend geluid over de roeden. En als ze terug wijken ziet Gemma een glimp van buiten.

‘Dag meisje’. fluisteren de gordijnen. ‘Lekker geslapen?’

Gemma is nu klaar wakker. Voorzichtig schuift ze het dekbed opzij en voelt met haar voeten naar haar sloffen naast het bed. De plaats naast haar is leeg. De klok van de Jozefkerk slaat. Gemma telt mee.

‘Acht uur.’ fluistert de stem.

Ze springt op, bereikt met twee passen het raam, en schuift de gordijnen in één beweging met allebei haar armen helemaal open. ‘Zuut.’ zeggen ze.
De hoge glazen gevel aan de overkant van de straat weerkaatst het uitbundig stralende zonlicht. De wind waait het getoeter en gebrom van het krioelende verkeer omhoog.

Nogmaals kraait de haan. Nu luid en rauw. ‘Het is tijd om op te staan.’ spreekt de mannenstem dwingend.

Ze zucht diep. ‘Hou je mond’. Mompelt ze en loopt terug naar het bed. Een lentevogel begint uitbundig te fluiten, maar stopt abrupt midden in zijn lied als Gemma een klap op de wekker geeft.

Ze rekt zich geeuwend uit. Een kreet ontsnapt aan haar open mond. Dan loopt ze naar de kleine badkamer.
Een nieuwe dag is begonnen.

 

Nog voor ze de badkamer bereikt, gaat haar mobiele telefoon. Ze neemt op: 'met Gemma.' 'Hoi Gemma' klinkt het gejaagd aan de andere kant. 'Je moet me helpen'.

'Wat is er dan?' vraagt Gemma aan haar vriendin.
'Er is geen tijd. Kom snel. Er is iets ergs gebeurd. Kom.' De verbinding wordt verbroken.

Ze schiet haar kleren aan. Ze loopt de smalle trap af naar de woonkeuken van het appartement. Ze ziet een briefje op de tafel.
‘Ben even de hond aan het uitlaten. Miro.’

Ze neemt een slok water en propt een boterham naar binnen. Dan doet ze haar jas aan en pakt de fiets die op de overloop staat. Voorzichtig tilt ze hem op en begint de moeizame tocht naar beneden. Langs de muur hangen foto's van Amersfoort. Van de tuin daar en het huis waar ze hadden gewoond. Alles was er zo rustig en vredig. Stap voor stap daalt ze de steile trappen af, tot ze drie verdiepingen lager bij de voordeur komt. Even nog staart ze naar de lieflijke plaatjes van haar verleden.

Eenmaal buiten wordt ze omringd door lawaai en drukte. Ze draait de drie sloten van de voordeur achter zich op slot en voegt zich in de stroom haastende fietsers.

Wat zou er aan de hand zijn met Tessa?

Het stinkt naar uitlaatgassen.

Gisteren avond was alles nog goed met haar.

Een groep toeristen staat naar een grachtengevel te staren en verspert de weg. Vloekend en scheldend remt iedereen af.

Ze hadden hun wekelijkse film bekeken en een pilsje gedronken in het café vlakbij. Miro was ook nog even gekomen, maar was alweer snel vertrokken. Morgen een deadline.

De groep toeristen rent opzij voor een luid toeterende auto.

Gemma zet haar fiets tegen de gevel en belt aan. Vrijwel onmiddellijk springt de deur open. Achter haar klinkt de sirene van een ziekenauto. Ze laat de deur open staan en rent naar binnen.
‘Tessa wat is er aan de hand?’

Tessa zit in de gang op de onderste treden van de trap en kijkt met bedrukt gezicht naar de grote kop van Miro’s hond. Wat doet die hier Tessa? ….. Waar is Miro? Tessa geeft geen antwoord. Ze staart met verwilderd gezicht haar vriendin aan en wijst naar de open voordeur.

De hond hijgt voor zijn leven. Zijn tong hangt uit zijn bek. Hij kwijlt en zijn ogen draaien.

‘Oh nee.’ kreunt Gemma. Ze draait zich abrupt om en stormt naar buiten in de richting van de ambulance. Bellend en vloekend remmen de fietsers af maar kunnen haar niet meer ontwijken. Haar hoofd komt met een klap op het fietspad. Tussen de talloze fietswielen en benen van fietsers ziet ze hoe twee broeders van de dierenambulance bij Tessa naar binnen rennen. En voor ze haar bewustzijn verliest ziet ze daarachteraan Miro rennen…

‘Miro, Miro … ‘ roept ze nog met zwakke stem.

Er klinkt geluid op de trap.
‘Dag meisje’. fluisteren de gordijnen. ‘Lekker geslapen?’
‘Het is acht uur.’ fluistert de stem.
‘Het is tijd om op te staan.’ spreekt de mannenstem, dwingend nu.

Voorzichtig opent ze haar ogen. Niet meer dan een kiertje.

‘Goed geslapen?’ vraag Miro.

‘Waar ben ik?’

‘Gewoon thuis, in Amersfoort.’

Gemma zucht.

‘En waar is je hond?’


14 juni 2013
Hans Heerings

 

Ter gelegenheid van de 60e verjaardag van Gemma. Gepubliseerd in het eenmalige glossy magazine Gemma.